Zwillbrock – Winterswijk

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in de Achterhoek, langs de grens

Nog geen halve kilometer onderweg en nu al een uitzicht dat elke stap van vandaag, inclusief de stappen die nog gezet gaan worden, de moeite waard maakt. Ik heb het over het Zwillbrocker Venn: een grote plas die, net als ik, genoeglijk huivert onder de combine van herfstige kou met de scherpte van een laag opgehangen zon. Op eilandjes loungen aalscholvers. Ze strekken hun kop naar de hemel, buigen sierlijk de hals omlaag naar de veren, in verband met klein onderhoud. Tafeleenden dobberen en dommelen, ganzen liggen voor anker bij de rietkragen, ze zijn een en al lijf, nek en hoofd zitten achter een vleugel. Troepen kopmeeuwen willen actie, ze scheren laag over alle koppen. En duizenden kieviten vliegen op, landen en maken hartstochtelijk herrie. Ze verzamelen zich voor de trek, zegt een vogelaarster. Ze wijst op haar kijker die zo groot is dat hij een statief behoeft: „Wilt u even?’’

Wil ik even? Natuurlijk! Terwijl ik (met mijn handen beleefd op mijn rug), dertig maal vergroot, het wonder bezie van het soepele mooi der vogels, hun strekpootjes, hun flipflapvleugels, hun deadpan snavelgezichten, vertelt ze dat er hier ook flamingo’s zitten. „Maar vandaag zie ik ze niet.’’

Man kijkt ook, hij meent toch wat roze te zien.

Een pad langs het moeras, vol dode staken en zeer levend struikgewas met de voeten in het water, brengt ons op smalle veldwegen door het coulisselandschap. In de herfstzon doet dat zijn best: de kleuren van de geschakelde bladerkronen verglijden van geel via voluit oranje en rood tot beige; het groen van de weidegrond haalt fel uit.

Ruim vijf kilometer volgt een graspad de beek de Slinge, waarboven de blauwe hemel met scheermeswolkjes eens zo goed uitkomt. Bejaarde betonnen stuwen tarten het water en veroorzaken vallend water.

Op een stille veldweg weven kleine spinnen enorme webben waar ze maar kunnen, ook tussen de kluiten op de akkers. De zon zakt, hij wordt een lichtuitstotende schotel, een ufo. Out of the blue beweert man opnieuw dat hij vanmorgen echt flamingo’s heeft gezien. Twee. Ze sliepen. Ja, ja.

De route wil ons langs een beek Winterswijk binnen voeren, maar we deden iets verkeerd, we misten een hoek-om, en nu dwalen we door suburbia. Nergens een doorsteekje, niemand op straat. Behalve drie skateboardende opgeschoten jongens.

„Weten jullie waar de beek is?’’

„Beek? Beek?? O ja, die is hierachter.’’

„Hoe komen we daar?’’

„Door onze achtertuin. Kom maar.’’

15,5 km. Kaarten 44, 45, 46 uit: Noaberpad. Uitg. NIVON, Amsterdam, 2000. Geen openbaar vervoer tussen begin- en eindpunt. Tel taxi: 0543461902.