Weinigen klagen over kunnen kopen op zondag

Premier Balkenende en minister van Economische Zaken Van der Hoeven zijn van mening dat gemeenten te vaak en op oneigenlijke gronden van de zogeheten toeristenregeling uit de Winkeltijdenwet gebruikmaken. Deze regeling maakt het mogelijk dat gemeenten enige malen per jaar hun winkels op zondag open houden.

Op grond van de toeristenbepaling uit de Winkeltijdenwet mogen gemeenten vaker dan twaalf dagen per jaar hun winkels op zondag open houden, als er sprake is van ”een op de betrokken gemeente of een deel daarvan gericht toerisme, mits de aantrekkingskracht voor dat toerisme geheel of nagenoeg geheel is gelegen buiten de verkoopactiviteiten, die door de vrijstelling of ontheffing mogelijk worden gemaakt”. Het gaat hier om een onleesbare, ruime en vage omschrijving van het begrip toeristische bestemming, waaraan gemeenten wel in de praktijk invulling moeten geven.

Hopelijk maakt het kabinet bij zijn voorgenomen aanpassing van de Winkeltijdenwet een heldere, voor de gemeentelijke praktijk uitvoerbare regeling in welke gevallen winkels vaker dan twaalf dagen per jaar op zondag open mogen zijn.

Los van deze juridische en wetstechnische aspecten van de omstreden toeristenregeling, is het zeer de vraag of het praktisch gezien wenselijk is dat het kabinet zich met een typisch lokale aangelegenheid bemoeit. B en W en de gemeenteraad kennen de lokale situatie als geen ander en kunnen in overleg treden met bewoners, belangenorganisaties en winkeliers om zodoende een, voor alle partijen bevredigende toeristenregeling te maken.

Winkelen op zondag is voor veel mensen een lust en voor sommige mensen, bij gebrek aan vrije tijd, een must. Slechts een enkeling klaagt over verstoring van de zondagsrust. Is het kabinet zich daarvan wel bewust?