We dreigen om te komen in een oceaan van digitale junk

Foto’s, muziek, tekst: overal slaat de digitalisering van de samenleving toe. Het is vaak makkelijk, maar het verlies aan kwaliteit is groot. Een pleidooi voor periodieke onthouding.

Oud-correspondent van NRC Handelsblad in New York. Begin volgend jaar verschijnt zijn debuutroman.

Niet lang geleden zat ik in het vliegtuig naast een man met een digitale fotocamera. Om de paar minuten maakte hij een foto door het cabineraampje, dat uitzicht bood op een tamelijk solide wolkendek. Hij moet er een paar dozijn gemaakt hebben. Hij keek niet eens achterop het beeldschermpje of zijn opnames interessant genoeg waren om te bewaren. Misschien zag hij zelf ook al in dat er niets op stond.

Maar waaróm maakte hij dan foto’s?

De ‘junkificatie’ van de privécultuur als gevolg van de voortschrijdende digitalisering van de leefomgeving is nergens beter zichtbaar als in de amateurfotografie. Niet eerder was het zo gemakkelijk en goedkoop om een foto te maken, en het digitale bestandje op te slaan en te delen met wie dan ook. De hele manier van fotograferen is erdoor veranderd, en dan bedoel ik niet alleen dat niemand tegenwoordig nog door een viewer kijkt, omdat het kader ook van dertig centimeter afstand op het beeldschermpje is te zien, of dat veel digitale camera’s een irritante laptime kennen tussen het indrukken van de ‘ontspanner’ en het nemen van de foto. Het gaat me om de luiheid die digitale fotografie in de hand werkt. Ik spreek voor mezelf. In plaats van na te denken over een foto voordat ik hem neem, klik ik meestal maar wat in het wilde weg, in de hoop dat er iets aardigs tussen zit. Vaak zit er niets aardigs tussen, of althans niet de foto die ik, besef ik later, eigenlijk had willen hebben.

De luiheid strekt zich ook uit tot degenen die worden geportretteerd. Vroeger was het maken van een foto een magisch moment. Tegenwoordig kijken kinderen, volwassenen ook trouwens, nauwelijks meer op als er een foto wordt genomen. En ze willen meteen het resultaat zien. Bevalt het niet, dan moet het over. Desnoods kan de foto nog op de computer worden bijgepoetst.

„Fotografie maakt van iedereen een toerist in andermans realiteit, en uiteindelijk in die van hemzelf”, schreef publiciste Susan Sontag dertig jaar geleden in haar invloedrijke boek On Photography. Tegenwoordig wordt het steeds moeilijker om welke realiteit dan ook zonder toerisme tegemoet te treden.

Is het toeval dat ik de laatste jaren helemaal geen vakantiefoto’s meer onder ogen krijg? Waarschijnlijk is de interesse in andermans vakantie sowieso tanende nu iedereen overal is geweest, maar het moet ook liggen aan de alomtegenwoordigheid van de fotografie en de daaruit voortvloeiende inflatie van het beeld.

Het valt niet mee te genieten van digitale foto’s. Dat heeft te maken met de beeldkwaliteit – digitale foto’s zijn harder en kouder – maar dat is niet het belangrijkste. Vooral de kwaliteit van de ‘foto-ervaring’ is achteruitgegaan.

Tien jaar digitaal fotograferen met camera’s met steeds meer megapixels (volgens professionele fotografen gaat het trouwens vooral om de kwaliteit van de lens, maar dat terzijde) heeft mij op dit moment precies 3.024 ‘onderdelen’ opgeleverd, meldt iPhoto, het Apple Macintosh-programma waarmee ik mijn fotobibliotheek ‘beheer’. Hoeveel van die foto’s heb ik laten afdrukken op papier? Een fractie, omdat ik weet dat de afdruk van een digitale foto zijn slechte eigenschappen uitvergroot. Een digitale foto laat zich, vind ik, het beste digitaal bekijken: op een computer dus. Toch kijk ik zelden naar een digitale diavoorstelling.

Het onmiddellijke karakter van digitale fotografie heeft een groot deel van de lol van het medium weggenomen. Vroeger nam je een foto, en als het rolletje op was, liet je het ontwikkelen en afdrukken; pas later volgde de haast heilige bezichtiging thuis op de bank. Tussen klikken en kijken verstreken op zijn minst twee weken. Dat uitstel verhoogde het genot. Idealiter gingen die foto’s vroeg of laat in een mooi album, dat album belandde in een kast, en kon op elk moment worden geraadpleegd voor de periodieke, broodnodige dosis nostalgie en zelfreflectie.

Nu kijk ik tijdens het fotograferen een paar keer naar de foto’s die ik heb gemaakt, omdat ik moet besluiten of ik ze wil bewaren. Tijdens het uploaden naar de computer zie ik ze nog een keer. Eigenlijk komen die foto’s me op het moment dat ze goed en wel zijn opgeslagen in mijn fotobibliotheek alweer een beetje mijn keel uit, maar dat kan aan mij liggen. (Terwijl ik dit schrijf besef ik voor de zoveelste keer dat ik een back-up moet maken voor het geval ik mijn computer kwijtraak. En dat ik het waarschijnlijk wéér niet zal doen.)

Misschien bevind ik me in een klassieke catch 22: aan de ene kant kan ik de verleiding van de digitale fotografie moeilijk weerstaan, en ben ik gewend geraakt aan het gebruikersgemak, aan de andere kant knaagt het besef dat mijn ‘persoonlijk archief’ hierdoor steeds minder waard wordt.

De digitalisering van muziek veroorzaakt eveneens een ervaringsinflatie. Het is nooit zo eenvoudig en goedkoop geweest om muziek aan te schaffen (of te stelen, voor mijn part) via iTunes (cq. Limewire), maar je komt nauwelijks meer aan luisteren toe. Maar goed dat er files staan op de Nederlandse snelwegen en er nog geen verbod is op het dragen van een iPod op de fiets, anders zou ik niet weten wanneer ik al die muziek tot me zou moeten nemen.

Vroeger behoorde het rondhangen in platenzaken tot mijn liefhebberijen, nu kom ik er bijna nooit meer. Laatst was ik in het Amsterdamse Concerto om een cadeau te kopen – iTunes biedt de mogelijkheid om een cd online te ‘giften’, maar dat heeft iets armoedigs. Een cadeau moet je in je hand kunnen houden, uitpakken, besnuffelen. Enfin, omdat ik toch in de winkel was, en de cd-prijzen (mede dankzij de moordende digitale concurrentie) drastisch zijn gedaald, kocht ik ook een cd voor mezelf. Toen ik thuiskwam stopte ik hem zonder na te denken in mijn laptop. Tijdens het laden wees iTunes op andere cd’s van de desbetreffende componist en vergelijkbare componisten, en ja hoor, voor ik het wist had ik nog een cd aangeschaft, nu online. Tegelijkertijd ging ik op Limewire op zoek naar oude muziek die ik op iTunes niet kon vinden. Op drie verschillende manieren was ik dus muziek aan het ‘binnenhalen’. Toch heb ik nu, zoveel weken later, nog nauwelijks tijd gevonden om er ook maar eventjes naar te luisteren via een behoorlijke geluidsinstallatie.

Alweer gaat het me niet zozeer om de kwaliteit van het digitale geluid, hoewel ook die in sommige belangrijke opzichten onderdoet voor de oude platenspeler, maar om de ruimere ervaring. Hoe maak ik een keuze uit 5.058 ‘nummers’ in mijn iTunes-bibliotheek? Vroeger ging ik langs de ruggen van mijn LP’s en daarna cd’s. Nu is mijn collectie volledig onzichtbaar geworden, of, althans, teruggebracht tot een eindeloze lijst namen op een beeldscherm. Ook hier probeert iTunes de abstractie tegen te gaan door meer aandacht te schenken aan cover art, maar laten we wel wezen, niets haalt het bij een schitterend vormgegeven platenhoes of cd-boekje. Het je verheugen alleen al op de muziek die komen gaat bij het tikken van de naald door de eerste lege groeven, terwijl je op de bank zit met de platenhoes op schoot – daar is weinig meer van over. Luisteren naar muziek, net zoals het bekijken van foto’s, is een klinische aangelegenheid geworden.

Het woord is misschien wel de belangrijkste cultuuruiting die in mijn ogen te lijden heeft onder digitale junkificatie. Dankzij tekstverwerkers, e-mail en internet is de redactie, vermenigvuldiging en distributie van tekst een fluitje van een cent geworden. Het krijgen van e-mail is fantastisch, dat lijdt geen enkele twijfel, maar het haalt het niet bij het ontvangen, openmaken en lezen van een handgeschreven brief. ‘Schrijven zegt meer’, luidde een reclameleus van de post niet lang geleden. Die leus wordt niet meer gebruikt. Volgens mij heeft TNT de strijd tegen de elektronische ‘brief’ allang opgegeven.

Hoeveel van de 4.135 berichten in mijn inbox zijn het waard om te worden uitgeprint en opgeborgen in een mooie doos? Niet veel. Ik schrijf zelf ook nauwelijks meer brieven. Ik krijg geen antwoord. Of ik krijg een sms: „Bedankt voor je brief!” Ik weet niet wat erger is.

Godzijdank zijn er nog boeken, tijdschriften en kranten. Lezen, voor je plezier althans, blijft iets wat je het best kunt doen van papier – hoeveel miljoenen dollars Bill Gates en anderen ook investeren in digitale e-readers of hoe ze ook mogen heten. Er is weinig mis met een boek. Natuurlijk zou het gemakkelijk zijn om meer dan een boek te kunnen bewaren, bijvoorbeeld als je op reis bent, in een apparaat ter grootte van een boek, maar ik moet er niet aan denken om met een koud stuk metaal in bed te liggen. Ik betreur de dag dat mijn boekenkast hetzelfde lot is beschoren als mijn platen- en cd-kast.

Iedereen die weleens een bezoekje heeft gebracht aan een chatroom, een internetforum of een blog weet dat ook het digitaal publiceren van tekst leidt tot inflatie van het schrift, nog afgezien van de totale hersenverweking die gepaard pleegt te gaan met instant anoniem commentaar.

Sinds juni 2006 houd ik een weblog bij waarop ik elke dag iets aardigs probeer te schrijven. Afgezien van de vraag of ik daarin slaag, heeft ‘instant publiceren’ – dankzij kinderlijk eenvoudig te gebruiken technologie staat met letterlijk één druk op de knop het stukje op het web – tot gevolg dat de weg van gedachte naar gepubliceerde zin verwaarloosbaar klein is geworden. De woorden staan er voordat je het weet. Er is geen filter. Dat heeft gevolgen voor de diepgang. Het riekt naar tijdverspilling. Een paar keer heb ik daarom de behoefte gevoeld om mijn blog met een druk op de knop te deleten, maar ik heb het niet gedaan. Bloggen is namelijk uiterst verslavend. Door dezelfde instant gratification die digitale fotografie en iTunes ook verslavend maakt – en hebzuchtig bovendien.

‘It won’t let you stop’, luidt een oude advertentie voor de Polaroidcamera, de voorloper van de digitale camera. ‘Suddenly you see a picture everywhere’. Jongeren hebben dit, met hun mobiele telefoon in de aanslag, letterlijk genomen. En hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor muziek en tekst.

Cultuurfilosoof Walter Benjamin zag in de jaren dertig de reproduceerbaarheid van kunstvormen als fotografie en film als een revolutionaire ontwikkeling. Dankzij digitale technologie en internet is de reproduceerbaarheid ook nog eens schier oneindig, vrijwel kosteloos en onmiddellijk geworden. Het resultaat? Een oceaan van digitale junk.

Pleit ik ervoor om alle digitale technologie overboord te gooien? Natuurlijk niet. Dat zou naïef zijn, en ook onverstandig, aangezien dezelfde technologie bijvoorbeeld ook tot een gezonde democratisering van de cultuur en media heeft geleid. Maar terwijl ik een paar jaar geleden, tijdens de internetkoorts, nog heilig geloofde dat digitale technologie de leefwereld verrijkte, geloof ik nu dat het vooral een verarming is. De kwaliteit van leven is, in mijn ogen, netto achteruitgegaan. De winst in gebruikersgemak wordt tenietgedaan door de inflatie van de ervaring.

Grappig genoeg ziet mijn moeder, die opgroeide ver voor het televisietijdperk, geen enkel minpunt in de opmars van digitale technologie. Ze is buitengewoon in haar nopjes met haar nieuwe digitale camera. Eerst liet ze het geheugenkaartje uitprinten bij de fotowinkel. Dat leverde een plastic fotoalbumpje op dat ze overal mee naar toenam. Het ‘oh’ en ‘ah’ was niet van de lucht toen ik haar uitlegde hoe ze een online album kan aanmaken, zodat ze alleen maar een linkje hoeft rond te sturen aan haar ‘contacten’.

Kritiek op technologische vooruitgang komt vaak voort uit paranoia. Bij elke grote technologische doorbraak hebben behoudzuchtigen aan de zijlijn de ondergang van de cultuur voorspeld – om vervolgens ongelijk te krijgen. De opkomst van de radio betekende niet de ondergang van de krant, de opkomst van de tv betekende niet de ondergang van de radio, de opkomst van internet betekent niet de ondergang van alles. Het medialandschap verschuift, dat wel. Om verschrikkelijk marketingjargon te gebruiken: de mix verandert.

Maar in het geval van foto’s, muziek en tekst bedoeld voor privégebruik geloof ik dat er iets ernstigers aan de hand is – niet het einde van de wereld, maar toch. Hier vindt, wellicht nog versterkt door een laksere houding ten opzichte van wat privé is, een bijna totale vervanging plaats. Weg fotoalbums, cd’s en brieven, in plaats daarvan flashcards (geheugenkaartjes voor digitale foto’s), iTunes, en e-mailen/smssen/msnnen. Zelfs de professionele fotografen die analoog fotograferen sterven uit, net zoals de schrijvers die nog de moeite nemen een echte brief te schrijven, of een dagboek dat niet bedoeld is voor onmiddellijke consumptie door de technomane massa.

De enige haalbare, en toegegeven: weinig opwindende, oplossing die ik zie, is gematigd luddisme – dat wil zeggen, periodieke onthouding van digitale technologie. We moeten een beetje afkicken.

Wel, laat ik bij mezelf beginnen. Nu heb ik me in de loop der tijd diverse malen voorgenomen een Analoge Zondag in te voeren, waarop computers, laptops, Blackberries, Treo’s, Coolpixen, iPods en wat dies meer zij, uit den boze zijn (laat staan Xboxen, P2P’s en Gameboys) maar – dit zal misschien niet als een verrassing komen – het lukt me niet. Vroeg of laat moet er op zo’n dag toch weer iets worden opgezocht in een digitale encyclopedie, of een film in een bioscoopagenda, of een e-mail verzonden, die zogenaamd niet tot maandag kan wachten. Voor ik er erg in heb zit ik weer twee uur achter het beeldscherm. Maar ik blijf het proberen. Iets in me zegt dat het de moeite waard is.