Tweehonderd jaar geleden klonk het Maastrichts boers

illustratie uit boek

Het Maastrichts van rond 1800 klonk heel anders dan nu. In 1800 gebruikte men in de dialectwoorden voor ‘hij’ en ‘heeft’ nog de ‘ae’, die ongeveer klinkt zoals de ‘è’ in ‘blèren’. Men zei dus: ‘Hae haeft’. Pas later is men overgegaan op de voor het Maastrichts zo kenmerkende ‘ee’-uitspraak: ‘Hee heeft’. Tegenwoordig wordt de ae-uitspraak, die nog altijd overheerst in de omliggende plattelandsdialecten, door de Maastrichtenaren zelf als ‘boers’ ervaren. Blijkbaar heeft men de ee-uitspraak in het begin van de achttiende eeuw bewust of onbewust geïntroduceerd als een manier om zich te onderscheiden van het omliggende platteland.

Dit blijkt uit onderzoek van oude dialectboekjes die in 2002 waren gevonden in Franse archieven. Dit onderzoek van Frens Bakker en Joep Kruijsen is gepubliceerd in het boek Het Limburgs onder Napoleon. Achttien Limburgse en Rijnlandse dialectvertalingen (264 blz. € 29,90. Uitgeverij Gopher).

Het gaat om acht vroege Limburgse dialectfragmenten: vertalingen van de parabel van de verloren zoon (Lucas: 15:11-32), die in 1806 - 1807 op verzoek van de Franse overheid werden gemaakt, in de plaatselijke dialecten van Maastricht, Venlo, Roermond, Weert, Tegelen, Meijel en Roosteren.

De ontdekkers, Frens Bakker en Joep Krijsen, hebben de teksten nu uitgegeven en van commentaar voorzien, samen met tien andere dialectvertalingen uit het Duitse gebied dat onmiddellijk aan Limburg grenst. Deze Duitse dialecten zijn nauw verwant aan de Limburgse dialecten.

Hoewel de teksten in een ‘wilde’ spelling geschreven zijn, vertellen ze veel over hoe de dialecten twee eeuwen geleden geklonken hebben. De verschillen met nu zijn behoorlijk groot. Dialecten veranderen voortdurend - misschien wel meer dan de standaardtaal.

De vertalingen werden gemaakt in de periode dat Limburg en het aangrenzende stukje Duitsland deel uitmaakten van het Franse Keizerrijk. De centrale Franse overheid wilde, met name aan de grenzen van dit rijk, de taalsituatie zo nauwkeurig mogelijk vaststellen, en vroeg de lokale overheden daarom om voorbeeldteksten in het ‘patois’ (lokale dialect). Zo wilde men achterhalen waar de taalgrenzen liepen tussen Frans, Vlaams, Nederlands en Duits. Men nam hiervoor de parabel van de verloren zoon, omdat die is geschreven in eenvoudige taal, met bijna uitsluitend basisvocabulaire.

De directeur van het Parijse Bureau van Bevolkingsgegevens, Coquebert de Montbret, die behalve dit soort taalinformatie ook allerlei andere informatie over de plaatselijke bevolking en economie verzamelde en centraal opsloeg, was toevallig zelf erg geïnteresseerd in talen en dialecten. Zijn zoon publiceerde in 1831, eveneens aan de hand van verloren-zoon-vertalingen, de eerste taalgeografie van Frankrijk.

Berthold van Maris