Tafelmanieren

Schrijfster Nicolien Mizee geeft een cursus ‘Verhalen schrijven’ aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door het werk van haar leerlingen. Vandaag over de noodzaak van een bewering.

„Ferdinand, waar gaat dit over?” vraag ik.

„Walter heeft Victoria leren kennen op een bijeenkomst van de Rotaryclub”, begint Ferdinand.

„Ja, en dan nodigt hij haar uit voor een dineetje”, onderbreek ik hem. „En dan blijkt ze geen tafelmanieren te hebben en gaan ze weer uit elkaar. Maar ik bedoel: wat is het probleem in dit verhaal?

„Dat Victoria geen tafelmanieren heeft.”

Waarom lukt het Ferdinand toch niet een verhaal te schrijven? Aan zijn hersens ligt het niet, hij is een gewezen hoogleraar in de wetenschapsfilosofie.

„Ik zet een kopje thee”. zeg ik. „De thee is vies. Ik spoel het door de gootsteen. Walter zoekt een vrouw. De vrouw bevalt niet. Hij doet haar weg. Er is geen tegenkracht, en dus geen drama. Je hebt pas een verhaal als Walters geweten opspeelt, of Victoria, of de kelner.”

„Ik heb nog veel meer ideeën!” zegt Ferdinand. „Walter is ook bezig met een dissertatie en hij lijdt aan een zeldzame nieraandoening. Maar we mochten maar één bladzijde inleveren.”

„Misschien heeft die Victoria wel iets aan haar gebit dat ze van die vieze geluiden maakt”, zegt Wendy. „Dat had een vriendin van mij. Dan kun je er niks aan doen.”

Ferdinand luistert niet. „Jij kunt wel beweren dat elk verhaal een bewering doet, Nicolien, maar ik ontken dat. Bij mij is dat niet zo. Ik wil niets beweren!”

Precies zo stond ik vijftien jaar geleden zelf tegenover mijn leraar. Even kwaad en onwillig. Als we de universele regels voor een verhaal konden leren, schreven we allemaal alleen nog maar bestsellers! Dat kon toch niet? En nu sta ik hier zelf als Mozes die van de berg afkomt met de wetten in de hand.

„Het doet er niet toe wat jij wilt beweren, het gaat erom wat jouw verhaal beweert”, zeg ik. „In dit verhaal is dat: standsbesef leidt tot eenzaamheid.”

„Maar dat vínd ik helemaal niet!” roept Ferdinand. „Misschien wil Walter wel helemaal geen vrouw, maar weet hij niet dat hij dat niet wil.”

Ik knik. „Dan krijg je: bindingsangst leidt tot eenzaamheid.”

„Misschien is Walter wel veel gelukkiger zonder vrouw!”

„Eenzaamheid leidt tot geluk.”

Ik zucht. „Ferdinand, of we het willen of niet, elk verhaal doet een bewering. Anders is het geen verhaal. Je beschrijft namelijk altijd een gevecht, ook al gaat het alleen maar om een man die zich afvraagt of hij wel of niet zijn bed uit zal komen om de cactus water te geven. En je maakt het jezelf als schrijver honderd keer makkelijker als je weet wat je aan het beweren bent. Of jij het wel of niet met die bewering eens bent, doet helemaal niet ter zake. Je draagt geen moraal uit; je bedient je van een technisch hulpmiddel, een formule: A leidt tot B.”

Waarom verzette ik me indertijd zo tegen die wetten? Was ik bang dat die impliciete bewering iets over mijzelf zou onthullen? Of wilde ik zo uniek zijn dat voor mij als enige de zwaartekracht niet gold en de aarde niet om de zon draaide?

Pas toen ik mezelf vergat, kon ik schrijven.

Dienstbaarheid leidt tot vrijheid. Vrijheid leidt tot kunst. Kunst leidt tot lesgeven. Lesgeven leidt tot strijd. Zet ’m op, Ferdinand.