Steriel paradijs zoekt opwinding

Singapore is vlijtig, vriendelijk en welvarend. Files bestaan niet en de fiets hoeft niet op slot. Maar de emotie ontbreekt. Het sociaal laboratorium van Azië vindt zichzelf opnieuw uit.

Homo’s zie je niet op straat, maar ze zijn er wel, de statistiek bewijst het en de kranten schrijven erover. En je kunt het wel ontkennen zoals menig Aziatisch land doet, maar dat is eigenlijk niet meer van deze tijd. Bovendien is er zoiets als de ‘roze dollar’, rijke, beroemde homo’s, deel van de jetset of van de avant-garde of van allebei en hun dollars wil je toch graag je kant op laten komen?

Voor studenten van de National University of Singapore spreekt de premier als een moderne president-directeur. Studenten luisteren aandachtig en stellen ter zake doende vragen als waren zij de jonge trainees in het bedrijf die met de baas mogen praten. Strafbaar blijft homoseksualiteit officieel wel, want dit vindt de meerderheid van de bevolking nog altijd goed, aldus de premier, en „heteroseksuelen horen de toon aan te geven”, maar verder moet iedereen het zelf weten. En om misverstanden te voorkomen: buitenlanders hoeven hier niet te komen vertellen hoe het moet. Laatst hadden ze een Canadese professor om die reden nog een visum geweigerd, maar verder is de route helder: homo’s oké, maar geen gay parades, geen obsceniteiten.

Zomaar een momentopname uit de discussie die Singapore dezer dagen voert. Wat heet modern tegenwoordig en hoe modern moet je zijn?

Vraag mensen in Azië waar ze jaloers op zijn en negen van de tien keer zeggen ze ‘Singapore’. Alles werkt, niemand is corrupt, de multiculturele samenleving vanzelfsprekend, dus met een publieke ruimte vol strikte regels. Een democratie is het niet maar een dictatuur kun je het ook zeker niet noemen. Het is een schoolvoorbeeld van goed bestuur in de wereld, het toeval lijkt er verbannen.

Dat is de ene kant.

De andere kant is de verpletterende braafheid. Niemand spuugt, kauwgom op straat is verboden, het peperdure Raffles Hotel maakt zelfs reclame dat ze er een bar hebben waar je „zomaar pindaschillen op de grond mag gooien”. De taxi’s zijn goedkoop, klantvriendelijk, de metro perfect en de elektronische tol al anderhalf decennium routine. En inmiddels weet de hele wereld dat drugs er ten strengste verboden zijn: wie het gebruikt krijgt zweepslagen, wie erin handelt de strop.

Maar de bestuurders hier zijn ook slim genoeg om te beseffen dat deze melting pot van Aziatische en Westerse culturen verpietert als het slechts een steriele ruimte blijft, exclusief voor bankiers, accountants, techneuten en gedienstige obers en kindermeisjes. Vandaar de eindeloze discussie over zo’n accentverschuiving inzake homoseksualiteit. Voor zijn kinderen is het geen onderwerp meer, aldus de premier, maar „we hebben traditionele Chinese en Indiase families hier en moslims, dus we doen dit stapje voor stapje, pragmatisch, om de sociale samenhang hier te behouden.”

Het sociaal laboratorium van Azië maakt zich op voor een nieuw tijdperk: alles wat de klok sloeg was discipline, straks moet het ‘fun and discipline’ worden, zoals een spreker in het Nationaal Museum van Singapore het noemt. Het moet een type vrijheid worden dat ook elders een grote toekomst heeft en wat de Amerikaanse politicoloog Fareed Zakaria recent omschreef als illiberal democracy, een democratie met mate waar iedereen geniet van de vrijheid als consument. Met bijpassende levensstijl. Want wat heeft een mens meer nodig?

Singapore begon tot op grote hoogte als een misverstand. Na de onafhankelijkheid van Groot-Brittannië zocht het aansluiting bij Maleisië, omdat het nauwelijks levensvatbaar heette, maar dat draaide op ruzie uit. Noodgedwongen begon het eiland voor zichzelf. Onder leiding van een sociaal-democratische partij en aangevoerd door een Chinees die in Engeland rechten had gestudeerd en wie nog in de jaren vijftig wegens zijn huidskleur door de British Club in Singapore het lidmaatschap was geweigerd, Lee Kuan Yee. Hij was het die aan malaria en maffia in de havenstad goedschiks en kwaadschiks een einde maakte, die een infrastructuur van Eerste-Wereld-formaat realiseerde en de bevolking met zachte en harde hand haar Derde-Wereld-manieren afleerde: Gij zult niet spugen, Gij zult geen prullen op straat gooien, Loop niet op het Gras, Spreek correct Engels, Glimlach tegen uw Klant. De ene na de andere campagne rolde over Singapore en Lee Kuan Yew kreeg het voor elkaar. Tegenwoordig is hij, inmiddels 84, minister-mentor, een soort officiële geestelijke vader van Singapore. De huidige premier is zijn oudste zoon.

Singapore investeerde in technologie en ontwikkelde zich tot een centrum voor microchips, voor farmaceutische producten en het investeerde in management opleidingen. Alle grote banken streken er neer in de tijd dat China nog gesloten was en Japan een ondoordringbare veste. De welvaart nam snel toe, de aanvoer van goedkope arbeidskracht uit de omringende Derde Wereld was onuitputtelijk net als de instroom van geld uit heel Azië. Er kwam ook zoiets als een welvaartsstaat, maar heel anders dan in West-Europa. Wie niet werkt, krijgt niets, wie werkt maar te weinig verdient, kan een toeslag krijgen. Geen Wellfare maar Workfare.

Yeo Lay Hwee (44) werkt aan het instituut voor internationale betrekkingen. Ze is gespecialiseerd in democratiseringsprocessen. Ze heeft een tijdje in Denemarken gewoond en kan vergelijken. „We hebben een regering hier die echt haar best doet. Dat bewonder ik. Ze consulteren de bevolking over allerlei onderwerpen, ook buitenlanders. Maar vergelijk je het met Denemarken, dan zie je hoe volstrekt emotieloos het hier is. Besturen is hier een permanente afweging van kosten en baten, niets anders. Onze identiteit is rationaliteit. Een politieke democratie zijn we niet, maar op het gebied van ‘goed bestuur’ zijn we wereldklasse. Er is waarschijnlijk geen land in de wereld waar je zo efficiënt een i-pod kunt produceren, maar de kans dat iemand hier zo’n ding zou bedenken, laat staan ontwerpen, is nihil. We willen hier alles beheersen, onder controle hebben, dat is een voortdurende innerlijke strijd die mensen met zichzelf voeren.”

De vijfenveertigste verdieping van Republic Plaza vlakbij de oude haven biedt uitzicht op een reusachtige bouwput. Voor meer dan 3 miljard euro gaat daar vertimmerd worden aan de Marina Bay Sands, een enorm architectonisch spektakel. Binnen vertelt George Tanasjijevich voor de maquette wat het allemaal gaat worden. Drie scheve hoteltorens van meer dan 150 meter hoog, daarbovenop zwembaden, een park en veel groen. Dan aan het water een congrescentrum, twee grote musical theaters, de Lion King is al geboekt. Een enorme open handpalm herbergt een kunst- en wetenschapsmuseum, in het water staan twee half verzonken disco’s en dan in het midden komt een enorm gokpaleis. Architect is Moshe Safdie uit Israël. „We hebben hem gekozen omdat we zo onder de indruk waren van zijn holocaust museum in Tel Aviv.”

George Tanasjijevich werkt bij ‘s werelds grootste beursgenoteerde gokbedrijf Sands uit Las Vegas. Hij spreekt trouwens niet over gokken, maar consequent over een „integrated resort business”. Over twee jaar moet het klaar zijn en de kans is groot dat Singapore dan zijn gezicht heeft gekregen, zoals Parijs de Eiffeltoren, Sydney de opera. Tenzij Sands het aflegt tegen de tweede „integrated resort business” die een paar kilometer verderop door een concurrent ook nog wordt gebouwd. Iets minder spectaculair maar ook met een groot gokpaleis.

Het was altijd ten strengste verboden, want het trekt ondeugd en gespuis aan, zo heette het vroeger. En de oude minister-mentor vindt het persoonlijk eigenlijk nog niet veel. „Ik houd niet van casino’s, maar als de wereld zoiets wil, dan moeten we het proberen”, zo vertelde hij zijn gehoor in het Raffles hotel, „Laten we het veilig doen, zonder maffia, zonder prostitutie, zonder geld witwasserij. Of dat lukt weet ik niet.”

Voor Tanasjijevich betekent het geen fruitautomaten op straat, niet op het vliegveld, niet buiten de gokhal: „Nee, het wordt hier anders dan Las Vegas. De regering wil dat we met alle gevoelens rekening houden. Voor Singaporezen zelf moeten we ook 100 SingaporeDollar (50 euro) entree gaan heffen.” Een serieuze drempel dus.

Maar het dominante idee blijft om „het niveau van spanning en opwinding” in Singapore te verhogen, en in plaats van negen miljoen straks zeventien miljoen toeristen per jaar naar de stad staat te lokken.

Grootste coup inzake het opwindingsniveau tot nu toe is een contract met Formule 1 Racing. Vanaf september volgend jaar scheuren de F 1-wagens voortaan door de straten van Singapore en – uniek – ze zullen dat doen ’s avonds als het donker is. Dan is het in Europa ’s middags live op televisie en een „geweldige promotie voor het nieuwe Singapore”, aldus de directeur van het toeristenbureau.

De befaamde Harvard-expert op het gebied van concurrentiestrategieën, Michael Porter, noemde Singapore recent een „prachtig voorbeeld van een goed bestuur. Geen corruptie, geen ideologie, geen opschepperij, en ze kunnen zelfs van mening veranderen.” Aan het feit dat Singapore nogal hardhandig met politieke oppositie omspringt, maakte hij geen woord vuil. Verkiezingen zijn er regelmatig, maar de People’s Action Party wint altijd. Met zachte druk wordt iedereen aangespoord het juiste hokje aan te kruisen. Een wijk die anders stemt, benadeelt zichzelf als er weer eens wat extra subsidies te vergeven zijn. Er is wel een oppositiepartij met een paar zetels in het parlement, maar ze krijgt geen voet aan de grond en haar leider Chee Soon Juan wordt steeds weer opgejaagd door nieuwe processen, meestal wegens belediging. Vorige week was hij weer eens onbereikbaar omdat hij een gevangenisstraf van drie weken uitzat. Demonstraties mogen ook niet, onvriendelijkheden op straat zijn ongewenst. Wie bezwaren heeft kan altijd terecht bij een van de vele hearings. Meestal achter gesloten deuren, zodat iedereen vrijelijk kan spreken en niemand last hoeft te hebben van gezichtsverlies.

In het parlement zelf wordt serieus gedebatteerd, over het nieuwe pensioenstelsel, over de studiebeurzen, over de gezondheidszorg. Parlementariërs weten waar ze het over hebben, maar alles gaat netjes en ter zake. In de media is het niet anders. En wie er zich niet aan houdt, zoals soms de Far Eastern Economic Review, wordt met juridische procedures de hoek in en het land uitgedreven. En niemand in Singapore die er ook maar een seconde over piekert om er zich voor te excuseren. Niemand wil gedoe, niemand wil rotzooi.

Dit voorjaar ging het salaris van premier Lee Hsien Loong omhoog met zestig procent, van 950.000 euro naar 1,5 miljoen euro. Voor andere ministers en topambtenaren gebeurde dat ook. Op zichzelf was het niet zo vreemd want Singapore volgt een simpele stelling dat je voor het landsbestuur de beste mensen moet hebben en met het bedrijfsleven moet concurreren. Dus als daar de topinkomens flink omhoog gaan, dan zorgt het parlement voor dito verhogingen voor de overheidstop. Er is niets stiekems aan: het salaris zit op tweederde van de mediaan van de 48 best betaalde bankiers, ingenieurs, advocaten en accountants van Singapore, gewoon op de website na te kijken. Vreemd was dit keer wel dat het publiek begon te morren. Kranten schreven erover, parlementariërs stelden vragen. Vier keer het salaris van de Amerikaanse president, stond er in een van de ingezonden brieven.

De overheid reageerde karakteristiek en adequaat: de verhogingen bleven in tact want de hele constructie van „goed bestuur” berust nou juist op het uitgangspunt van managers met topkwaliteit, die niet corrupt zijn. Maar de premier zelf schonk zijn salarisverhoging vervolgens wel meteen aan een liefdadigheidsinstelling. Kortom, het principe bleef, maar het gebaar was gemaakt.

In Singapore wonen nu 4,5 miljoen mensen – een kwart buitenlanders – maar het moeten er 6,5 miljoen worden. De overheid heeft dat laten berekenen en vervolgens besloten. Dat is de ideale omvang om in de moderne wereld op niveau te kunnen functioneren – dan kun je topuniversiteiten draaiende houden, moderne laboratoria voor biogenetisch onderzoek, en ook de life style business van gezondheid, welbevinden, vrijetijdsbesteding en toerisme. Die twee miljoen zullen uit het buitenland komen, expats zijn welkom. Over nationale identiteit en inburgering heeft niemand het, want Singapore is multicultureel en uiteindelijk meer een firma dan een natie.

Alice Scott zit in de raad van bestuur van Pacific Healthcare. Ruim tien jaar bestaat deze kliniek, inmiddels hebben ze ook vestigingen in Sjanghai, Hongkong, in India en Vietnam. En ze zijn aan de beurs genoteerd. „Wij zijn kosmopolitisch, wij zijn duur, wij hebben topkwaliteit en vanuit de hele wereld vliegen ze hierheen, dit is de toekomst.” Ze vertelt het al wandelend langs wat je misschien ‘de opname’ zou moeten noemen, maar wat nog het meest lijkt op de entree van een vijf sterrenhotel. Met een conciërge, een gastenmanager, een kruier, zachte muziek, dito tapijt en overal zitjes. Beneden is de shopping mall Paragon aan Orchard Road, volgens een recente enquête van American Express de beste en duurste shopping mall van Azië. Ook Alice Scott is er eerlijk over: „Wij zijn niet goedkoop. Als onze president-directeur zelf een implantaat doet – hij is van beroep kaakchirurg – dan betaal je 5.000 euro. Maar de mensen staan in de rij, want hij is top.”

Een paar deuren verderop is een vrouwelijke arts net klaar met een vaginale reconstructie. „Vooral Japanse vrouwen zoeken dat hier, maar de laatste tijd ook meer Russinnen. Het liefst doen ze vrijdag nog iets in de stad, wat winkelen en de echtgenoot heeft misschien een congres hier en dan vrijdag laat in de namiddag hierheen en ’s maandags nog even ter controle terug bij ons.”

Dreigt het nieuwe Singapore met de ‘fun and discipline’ niet een ordinaire speeltuin voor de rijken te worden? Een student had het op die avond met de premier ook gevraagd en de premier had dat ontkend: „Dan verliezen we de verkiezingen want er zijn niet genoeg rijke kiezers, u zult niet allemaal zo rijk worden als de rijkste bankier maar u zult een goede baan vinden, goede scholen, mooie vrije tijd.”

Yeo Lay Hwee, de wetenschapper vult aan: „Het risico bestaat. Maar het motief is toch anders: we willen voor die tienduizenden lager opgeleiden in de dienstensector werk bieden en onze topmensen tegelijkertijd hier houden. Dan is zo’n samenleving vol moderne genoegens en verworvenheden zo gek nog niet. Inderdaad, een democratie is het niet, intellectuelen spelen hier geen rol, maar misschien worden we juist wel de eerste staat met een functionerende post-politieke levensstijl.”