Parijse toestanden: geen clichés graag

Over ‘Amerikaanse toestanden’ wordt de laatste tijd in Nederland weinig meer vernomen. Over ‘Parijse toestanden’ des te meer. Sinds de ongeregeldheden in de banlieu twee jaar geleden wordt er regelmatig aan Frankrijk gerefereerd. Met een zekere gretigheid zelfs, alsof de metafoor goed uitkomt. Afgelopen week was het korpschef Welten van de Amsterdamse politie die het woord Parijs in de mond nam. Elke dag was hij beducht op autobranden en andere ongeregeldheden in met name de westelijke tuinsteden, zei hij desgevraagd in een talkshow. Commissaris Schönfeld, in het hoofdstedelijke korps verantwoordelijk voor jeugd- en wijkteams, kritiseerde vervolgens in een interview met het Algemeen Dagblad de in zijn ogen te lichte strafmaat waardoor straatschenders te snel op vrije voeten komen.

Binnen één etmaal werden Welten en Schönfeld in de steek gelaten door regering en rechterlijke macht. Minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) stelde met een afgemeten gelaatsuitdrukking vast dat de hoofdcommissaris het ‘recht’ heeft om dit te zeggen. De Raad voor de Rechtspraak deed min of meer hetzelfde. De bewindsvrouwe, tussen 1994 en 2001 wethouder in Amsterdam, was wellicht om budgettaire redenen zo afstandelijk. Welten pleit al enige jaren voor meer materiële armslag. Volgens hem lijdt de dagelijkse politiepraktijk onder de eenzijdige ‘focus’ op terrorismebestrijding. De noodkreten komen het gezag van de korpschef Welten, die een toch al onrustiger managementstijl heeft dan zijn voorgangers, niet ten goede.

De kilheid van het antwoord op de pleidooien van de Amsterdamse korpsleiding was daarom vooral psychologisch onverstandig. De gebeurtenissen in Amsterdam hebben tot een broeierig klimaat geleid, waaraan bestuur en politie hun handen vol hebben. Steun bij de beheersing daarvan is geboden.

Bestuurders en politici doen er echter goed aan de metafoor Parijs niet te pas en te onpas te gebruiken. Ten eerste omdat ze het risico lopen straks niet meer gehoord te worden, net zoals het jongetje in het muzikale sprookje Peter en de Wolf van de componist Prokofjev, ook als er wel gevaar dreigt. Ten tweede omdat de opgeschoten en rellerige jongens in Amsterdam-West niet schrikken van Parijse toestanden. Sterker, daar zijn ze op uit. En ten derde omdat de vergelijking het zicht op de Nederlandse werkelijkheid niet verheldert maar verduistert.

Dat de aantallen brandende auto’s in het niet vallen bij het dagelijkse quantum in Frankrijk is geen argument. Anders dan stadsdeelvoorzitter Marcouch (PvdA), die zelf tien jaar werkzaam is geweest bij de politie in Amsterdam-Oost, om begrijpelijke politieke redenen suggereerde, gaat het ook in Nederland om meer dan een tiental raddraaiers.

Maar er zijn wel verschillen. In de Franse banlieu is afgelopen decennia een etnisch en religieus gevarieerde onderklasse ontstaan die één gemeenschappelijk belang heeft: haat jegens de autochtone Franse elite die het republikeinse ideaal in sociaal-economische zin niet zou willen delen. In Nederland zijn de jeugdbendes veel homogener. Slotervaart bijvoorbeeld wordt onveilig gemaakt door Nederlands-Marokkaanse jongens.

Maar wel is het, net als in Frankrijk, een illusie te denken dat de straten van de Nederlandse tuinsteden rustig worden als vandaag of uiterlijk morgen dat tiental jongens met een gerichte actie van straat wordt geplukt en vervolgens daadwerkelijk wordt opgesloten. De toestand in de Nederlandse gedeklasseerde en etnisch verkleurde buitenwijken is ernstig genoeg voor een zelfstandige analyse en eigen benadering.