Nieuw beleid van Koenders is stuitend vaag’

Ook al zijn landen als Congo en Soedan notoir corrupt, minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking wil ze toch steunen bij de opbouw van hun overheid. Maar wat als de elite in die landen dat niet wil?

Het is even zoeken voor de Afrika-kenners en de ontwikkelingseconomen. Waar openbaart zich nu precies de nieuwe aanpak van ontwikkelingssamenwerking die minister Bert Koenders voorstaat in de beleidsbrief die hij deze week aan de Tweede Kamer presenteerde? De koerswijziging ten opzichte van zijn voorgangers Van Ardenne en Herfkens die werd aangekondigd is in het veertig pagina’s tellende document maar moeilijk te vinden. „De notitie is stuitend vaag”, is het eerste oordeel van Paul Hoebink, Ontwikkelingsstudies Universiteit van Nijmegen. „Het blijft allemaal wel erg theoretisch en idealistisch’’, zegt Afrikanist Filip Reyntjens van de Universiteit Antwerpen. „Hoe doe je het in de praktijk. Wat doe je concreet?”

De beleidsverandering van Koenders die de televisiejournaals haalde is een hernieuwde aandacht voor zogeheten fragiele staten, zoals Afghanistan, Burundi, Soedan en Congo-Kinshasa. Waar minister Herfkens haar aandacht wilde beperken tot een lijst van negentien landen die zich houden aan de regels van ‘goed bestuur’, wil Koenders toch weer zaken doen met notoir corrupte regimes. „De internationale gemeenschap noch Nederland kan het zich echter permitteren niets te doen”, schrijft hij. „De prijs is simpelweg te hoog.” De prijs die Koenders wil betalen voor dat nieuwe beleid: 15 miljoen euro. „Peanuts, vergeleken met de problemen in die landen’’, in de woorden van Hoebink. En „politieke profilering met gebakken lucht.”

Koenders gaat in eerste instantie door op de weg van Herfkens. Zo handhaaft hij de steun aan de meeste landen die in het in de ogen van de internationale gemeenschap goed hebben gedaan. Tot die landen behoort Rwanda, dat na de genocide in 1994 uitgroeide tot een donor darling van de internationale gemeenschap.

Met die enthousiaste steun aan Rwanda ondermijnt de Nederlandse minister volgens Reyntjens zijn eigen ambities. „Daarmee steun je een land dat nota bene verantwoordelijk is voor de destabilisering van Congo-Kinshasa.” Zowel Rwanda als buurland Oeganda, ook gesteund door Nederland, gebruikten het oosten van Congo jarenlang als speeltuin. Ze groeven er de grondstoffen weg, en steunden er moordende milities waarvan de leiders nu door het Internationaal tribunaal in Den Haag worden vervolgd. De afgelopen maand laaiden gevechten in Oost-Congo ruim een jaar na de verkiezingen opnieuw op nadat rebellenleider Laurent Nkunda de wapens oppakte. Nkunda rekruteert zijn manschappen volgens diverse rapporten van de VN vredesmacht (MONUC) in Rwanda.

Koenders stopt wel de hulp aan Macedonië (dat doet Europa al), Eritrea („moeilijke politieke situatie”) en Kaapverdië („uitfasering al uitgezet”). Dat laatste vindt Hoebink onbegrijpelijk. „Hij gaat hiermee in tegen Europese afspraken en bovendien straft hij een regering die weinig corrupt is en de afgelopen jaren goed haar best heeft gedaan.” Volgens Patrick Chabal, van het King’s College in Londen is de beslissing zelfs „een van de meest verbazingwekkende beslissingen die ooit is genomen’’. Volgens hem moet je pas hulp geven als er resultaten zijn geboekt, en niet als voorwaarde. „Kaapverdië had dat verdiend.”

Chabal publiceerde in 1999 samen met een collega het boek Africa Works. Daarin legt hij in detail uit welke rationele argumenten er voor de elites in sommige Afrikaanse landen bestaan om de overheid te laten falen. De chaos die ontstaat kan gebruikt worden als politiek instrument. Gebrekkig onderwijs voorkomt revoluties van een ongeduldige jeugd. Economisch falen kan productief zijn. Corruptie is zo onderdeel van het dagelijks leven, is zo doorgedrongen tot alle poriën van de samenleving, dat een politicus onmogelijk zonder zou kunnen. Wie politieke steun zoekt, betaalt.

Met andere woorden: een falende staat is niet alleen het gevolg van armoe en domme pech, maar ook van weloverwogen beslissingen. „Het voorstel van Koenders om zwakke staten te steunen is op zich niet zo’n gek idee, maar in het geval van Congo moet je je verzekeren dat de overheid die staatsopbouw ook echt wil. En dat betwijfel ik’’, zegt Reyntjens. Hij stelt een tienjarenplan voor waarbij de regering iedere zes maanden moet bewijzen de internationale hulp te verdienen. „Want nu zie ik geen functionerende regering en geen visie.’’

Koenders is zich bewust van de valkuilen van internationale ontwikkelingshulp. In zijn beleidsbrief citeert hij onder meer uit William Easterly’s White Man’s Burden, een aanval op de door schuld gedreven hulp uit het westen. In dat boek wordt gewaarschuwd voor de lotsverbondenheid tussen donoren en de ontvangende landen. Het welslagen van ontwikkelingsprojecten lijkt soms belangrijker voor de gever dan voor de ontvanger.

De drie kenners vinden die waarschuwingen geen reden voor cynisme of ontmoediging van Koenders, zolang hij concreet maakt wat hij wil. „Je kunt niet niets doen”, zegt Hoebink. „Het is een goed idee, als ideaal”, zegt Reyntjens. „Hij bedoelt het goed’’, aldus Chabal.