Merci

Luttele dagen voor zijn val in Zeeland was ik bij Michael Boogerd thuis in Kapellen. Zijn hele hoofd stond naar de Ronde van Lombardije. Een wedstrijd naar zijn hart. Hij droomde van een laatste stunt. Nog één keer tussen de bloemenmeisjes, zwaaiend en lachend naar de menigte, dat zou mooi zijn. Moet kunnen, zei hij rotsvast van vertrouwen. Het verlangen om ‘op niveau’ afscheid te nemen van zijn geliefde wielersport had hem de voorbije dagen door weer en wind gejaagd. Een trainingsbeest in Limburg en Zeeland, als vanouds.

De bezeerde knie kon hem niet tegenhouden: hij zou naar Lombardije gaan, al was het maar voor een ereronde. Plooien voor fysiek ongemak ligt niet in zijn aard. Maar ineens las ik dat Michael Boogerd in het ziekenhuis lag met wondroos. Roos wat? Zou het geen windroos zijn, de malaise van het Nederlands elftal, dacht ik nog.

Adieu peloton.

Morgen wordt Michael Boogerd uitgefeest. Op de Cauberg, uiteraard. Na veertien profjaren treedt hij in de luwte van de burgermaatschappij. Wel in een spiksplinternieuwe Porsche. Alsof dat zou helpen. Boogerd zonder fiets, Nederland zonder Boogerd: de leegte is niet te doorstaan. Er wordt wel gezegd dat een gouden generatie in aantocht is met Thomas Dekker en Robert Gesink, maar waar is het drama bij die jonge gasten? Boogerd was veertien jaar drama, en daarom held van zijn generatie.

Het was op een avond in Athene. Michael stond een beetje droevig om zich heen te kijken in het Holland Heineken Huis. Wielrenners zijn sowieso parasieten op Olympische Spelen. En dus ook van NOC*NSF. Een dromerige Boogerd zou een kunstwerk kunnen zijn: Rocky Mountains in de polder. Maar in Athene was er die avond meer heimwee dan kunst.

Hij zei retorisch: „Moet ik nou mijn hele leven bij Rabobank blijven? Ik zou graag een andere taal willen spreken, Italiaans vooral. Een andere cultuur leren kennen: Toscane, wijn, design, Michelangelo.” Hij praatte als een verdwaalde landschapsman die alsnog tevergeefs naar enig reliëf in zijn leven had gezocht. Het is er niet van gekomen.

Daar mag Rabobank dankbaar om zijn. In uitstraling kent Michael Boogerd zijn gelijke niet. Het ging zo ver dat je soms dacht: waar is de ruïne die wij, Nederlanders, bij geboorte zo graag zouden zijn? Waar is de Bijbel die balsemt en verlost? Het geluk spatte altijd van Michael af, vooral in de nederlaag. Als het om knielen ging, hield geen wondroos hem tegen. En altijd met die smile van genetische weerloosheid. „Wat wil je dan? Ik kom uit Den Haag, niet uit Lucca.” Deemoed op de cadans van Frans Bauer.

Door de jaren heen ben ik van Michael Boogerd gaan houden. Van zijn onvermoeibaar pedaleren, van zijn kinderlijk talent voor onbegrip, van zijn professionaliteit vooral. Na Jan Raas is Boogerd veruit de meest gedreven topsporter van de laatste halve eeuw. Duizend keer authentieker in de VOC-mentaliteit dan Jan Peter. Zij het dat ook hij lichtjes geïnfecteerd is door het CDA-parfum van dom nationalisme. Die ellendige schizofrenie van: én Europa én zwijnenleed op de Veluwe.

Ik heb Boogerd zien verstillen, zien verschralen in woord en gebaar. Eerst was er nog de kakofonie van de nederlaag, later kwam de ingetogen analyse van het menselijk tekort. Te kleine motor, zei men. Dat was dan zo. Maar ik heb hem ook zien groeien, in liefde voor het vak, in respect voor de concurrentie. Boogerd heeft nooit het stalinisme van de UCI beleden. „Doping? Fuentes? Ik rijd mijn eigen koers met mijn eigen benen.”

Michael is orthodox in de vriendschap gebleven. Ook zeldzaam voor renners. Toen ik hem vroeg of hij het niet zag zitten om Egon van Kessel als bondscoach op te volgen, zei hij: „Egon is een vriend, ik zal hem nooit afschieten. Al lijkt bondscoach zijn mij wel een leuke bijkomstigheid.”

De ethicus Michael Boogerd. Kan hij nog gelukkig worden? In het bed met Nerena, ja! Maar overdag? De uren zullen aan hem knagen. En natuurlijk draagt een Porsche niet de ‘weerspiegeling van de hemel’ in zich. Jagen in Zuid-Afrika? Daar is hij te week voor. Die avond in Kapellen zag ik hoe zijn hond er bij liep. ‘Boogie’ was een averechtse lampenkap om de kop gedraaid. „Om hem niet te laten likken aan zijn schrammetjes”, zei Michael gedempt.

Michael Boogerd, ik weet het wel zeker: het kleinste hart van Nederland met de grootste motor.

Salut, merci!