Leraar is te soft

Het salaris is niet de oorzaak van het lerarentekort. Geef de leraar meer tijd en ruimte. Derk Walters

Een verhoging van de lerarensalarissen zou de laatste maatregel zijn die Jan Franssen zou nemen om het lerarentekort te bestrijden. Het probleem ligt volgens hem bij het geitenwollen sokkenimago.

Franssen, commissaris van de koningin in Zuid-Holland, is voorzitter van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt. Hij is blij dat er gevraagd is om het advies van de Commissie Leraren, onder leiding van Alexander Rinnooy Kan. “Maar zijn rapport zou kunnen worden uitgelegd als oproep om die 1,1 miljard euro uitsluitend aan lerarensalarissen te besteden”, zegt Franssen. Terwijl er is iets veel fundamentelers aan de hand is, vindt hij. De belangstelling voor het leraarsvak loopt al decennia lang terug. Er is een “langjarige strategische aanpak” nodig om de leraar weer aanzien te geven. Een plan dat een kabinet overleeft, waar alle partijen achter kunnen staan en waar de premier zich hoogstpersoonlijk voor inzet.

ondernemend

Om te beginnen, zegt Franssen, moet “een andere categorie mensen” dan nu het geval is de weg naar het onderwijs weten te vinden. “Voor een deel zijn dat mensen die nu in het bedrijfsleven gaan werken. Die moeten hun creativiteit en ondernemingszin ook in het onderwijs kunnen uitleven.” Ook pleit Franssen, niet als eerste, voor meer academici voor de klas, en meer mensen die de helft van de tijd leraar zijn, en de andere helft een ander beroep uitoefenen.

Dan moet het imago van het vak wel drastisch verbeteren, zegt hij. Leraren presenteren en verkopen zichzelf slecht, zegt Franssen. “Het imago van de leraar is te soft. Niets ten nadele van veel goede leraren die ik ken, maar het vak heeft te veel een welzijnsimago. Te veel geitenwollen sokken. Ik ontmoet veel mensen die van dat imago af willen.”

Zijn ideale leraar is een “hoog opgeleide professional die boven de materie staat en in staat is om zelf na te denken”. Er moet voldoende tijd en ruimte overblijven voor na- en bijscholing, vindt Franssen. Dat betekent dat leraren, als het aan hem ligt, minder lang voor de klas hoeven staan. De vrijkomende tijd kunnen ze gebruiken om zichzelf bij te scholen en het vak bij te houden. Dáár moet dus een deel van het geld naar toe.

Volgens de Nationale DenkTank, een groep jonge topacademici die nadenkt over maatschappelijke problemen en dit jaar het onderwijs onder handen neemt, is ook de pers verantwoordelijk voor het negatieve imago. Het lerarentekort werkt zichzelf in de hand, schrijft de DenkTank, omdat het leidt tot “verhoogde werkdruk en een mede daardoor tot een negatief imago”, dat nog eens wordt gevoed door “negatieve aandacht van de pers”.

laptop

De oproep van Franssen, om juist niet als eerste aan salarisverhoging te denken, heeft al eerder geklonken. Hartger Wassink van onderwijsontwikkelings- en adviesbureau CPS schreef in het online nieuwsmagazine ScienceGuide dat leraren “goed uitgeruste werkplekken, een laptop en een mobiele telefoon” zouden moeten krijgen, net als werknemers in een groot bedrijf.

Jaap Dronkers, hoogleraar sociale ongelijkheid in Florence, onderschrijft dat het beroep van leraar weer “een echte professie” zou moeten worden. Maar het imago is het probleem niet, zegt hij. “Het beroep van leraar is in al die jaren niet gedaald op de statusladder, blijkt uit onderzoek. Ik vind het ook wat gemakkelijk om naar het imago te wijzen. Dat zou betekenen dat je alleen maar een campagne hoeft te voeren, en het beleid ongewijzigd kunt laten.”

Dat ondanks de status de belangstelling voor het leraarsvak is gedaald, erkent Dronkers wel. “Dat komt in de eerste plaats door de HOS-nota uit 1985, waarmee nieuwe leraren minder gingen verdienen.” Ten tweede is het vak “uitgehold”, zegt hij. Leraren krijgen te weinig kans om méér te zijn dan lesboeren. En de macht van schoolbesturen te groot geworden, ten koste van de leraren, vindt Dronkers. “De overheid legt de nadruk op contact met besturen. Dus moet dat bestuur terug in de handen van leraren, ouders en andere maatschappelijke vertegenwoordigers.”

Dronkers stemt in met de “hoog opgeleide professional” van Franssen. “Maar dan moeten wel de eisen om leraar te worden omhoog. En de leraar moet de ruimte krijgen om zelf te bepalen welke lessen hij geeft, en zijn lesmateriaal kunnen ontwikkelen.”

1,1 miljard

Minister Plasterk komt begin volgende maand met een kabinetsreactie op het advies van Rinnooy Kan. “Dit advies neem ik over”, zei de minister al bij de in ontvangstname van het rapport. Volgens Rinnooy Kan is er alleen al structureel 1,1 miljard euro nodig voor “een nieuw salarisgebouw waarin het opleidingsniveau het centrale beloningscriterium is”, voor de inkorting van het aantal schalen en voor arbeidsmarkttoelagen – salarismaatregelen dus. Deze week lekte uit dat Plasterk overweegt de basisbeurs voor studenten af te schaffen om die 1,1 miljard te vinden, maar een meerderheid van de Kamer wil dat hij een andere oplossing zoekt.

Volgens Dronkers is het “geen goed idee om al dat geld blind in financiële voorwaarden te stoppen”. Het geld mag best naar de salarissen, zegt Dronkers, “maar regel dan ook dat de leraar autonoom wordt, en dat zijn vak weer inhoudelijk wordt”. Ook hoeft er geen geld naar na-en bijscholing, denkt Dronkers, want “als een leraar professioneel is, gaat hij zich vanzelf bijscholen”.