Leider van twee culturen is zeldzaam

Islamitische bruggenbouwers zijn er niet in overvloed. Ze worden „wit gewassen”, of ze zakken terug in de eigen gemeenschap. „En ze moeten het maar net willen.”

Rotterdam, 20 okt. - Na de aanslag op basisschool Bedir in Uden in 2004 toonde Ismail Taspinar de leerlingen en ouders dat hij één van hen was. Hij was geëmotioneerd. Het was ook zíjn school, hij was óók moslim. Hij beriep zich op passages in de Koran om hen ervan te overtuigen geen wraak te nemen.

In de actualiteitenprogramma’s op tv vertelde hij een ander verhaal. Daar zei hij dat hij óók Nederlander was, dat hij zich medeverantwoordelijk voelde voor wat in Uden was gebeurd. Hij deed een beroep op de verantwoordelijkheid van burgers, politici en journalisten om geen ondoordachte dingen te doen, om de tegenstellingen niet te vergroten.

Taspinar is directeur van een stichting met acht islamitische scholen, waaronder die in Uden. Een week na 2 november, de dag waarop op filmmaker Theo van Gogh werd vermoord, gooiden rechts-radicale jongeren er een molotovcocktail naar binnen. Als Taspinar niet zo was geworteld in de westerse én in de moslimcultuur, zegt hij nu, had hij de crisis maar „heel moeilijk” kunnen bedwingen.

Er zijn maar weinigen die kunnen wat Taspinar kan, of wat stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch in Slotervaart deed afgelopen week. Bestuurders die bij spanningen tussen autochtone en allochtone bewoners in een dorp, stadsdeel of wijk het vertrouwen weten te winnen van beide groepen. Ze moeten sterk geworteld zijn in de westerse én in de islamitische cultuur. En ze moeten het maar net willen, zo’n brugfunctie.

Bovendien houden ze het vaak niet lang vol, zegt Ruben Gowricharn, hoogleraar sociale cohesie in de multiculturele samenleving aan de Universiteit van Tilburg. „Óf ze kiezen voor hun carrière en worden in hun gang naar de top zo wit gewassen dat ze het vertrouwen van de eigen mensen kwijtraken. Óf ze redden het niet, om wat voor reden dan ook, en zakken dan terug in de eigen gemeenschap. Daar zijn talloze voorbeelden van. Zij spelen een marginale rol. De spagaat volhouden is lastig.”

Ahmed Marcouch zegt dat het in een situatie zoals afgelopen week „absoluut noodzakelijk is dat je álle bewoners aanvoelt. Een cultuur- of taalbarrière kan daarbij enorm in de weg staan.” Hij probeert net als Taspinar spanningen tussen Marokkanen en autochtone bewoners weg te nemen, maar pakt dat anders aan. Hij vond een gemene deler. De Marokkaanse jongeren die de onrust veroorzaken noemt hij „tuig, etterbakken”. Ze zijn „crimineel, asociaal en hebben geen respect voor hun eigen ouders”. Willen niet alle 45.000 goedwillende bewoners dat die jongeren worden aangepakt? Marcouch: „Ook Marokkaanse ouders willen dat hun kinderen veilig op straat kunnen spelen.”

Het is laveren tussen twee werelden, zegt Leyla Çakir. Zij was zeven jaar moskeebestuurder in Geleen. „De moslimwereld vindt je wellicht te verwesterd, de autochtone wereld ziet je als moslim. Dat verander je niet zomaar.” Volgens haar is het belangrijk om, eenmaal politicus, wethouder of moskeebestuurder, het contact met de achterban niet te verwaarlozen. „Je moet je laten zien op bijeenkomsten, mensen thuis bezoeken, veel praten.” Als je een stabiele relatie hebt opgebouwd, zegt Çakir, wordt kritiek geaccepteerd. „Als ze je vertrouwen, durven mensen ook kritisch naar zichzelf te kijken.”

Timke Visser sprak talloze islamitische vertegenwoordigers voor haar boek Doe mij maar een moslim!, waarin ze een overzicht geeft van islamitische organisaties in Nederland. „Het zijn meestal oudere mannen van de eerste generatie immigranten, die zichzelf vooral zien als belangenbehartiger van hún groep. Meestal zijn ze laag opgeleid. Die combinatie zorgt ervoor dat ze onvoldoende kwaliteiten hebben om voor beide werelden acceptabel te zijn.”

Leyla Çakir zegt het iets voorzichtiger: „Er zijn veel islamitische bestuurders, maar ze zijn lang niet allemaal even goed. Je moet talent en vaardigheden hebben voor een functie als bruggenbouwer. Je moet weerstand kunnen bieden aan beide werelden en jezelf blijven. Niet iedereen kan dat.”

Maar hoe zit het dan met de generatie Nederlanders van Marokkaanse of Turkse afkomst die de afgelopen jaren de universiteiten en hogescholen verlieten? Die jongeren, zegt Timke Visser, hebben vaak wel het talent, maar niet de lust om zo’n rol op zich te nemen. „Zij willen juist niet worden aangesproken op hun Marokkaans- of Turks-zijn. Ze zijn arts, architect of stedenbouwkundige. Ze maken carrière.” Visser ziet dat wel veranderen. „Een aantal hoog opgeleide moslims vindt het zo langzamerhand niet meer acceptabel dat die oude generatie zich blijft opwerpen als hun vertegenwoordiger. Ze vinden dat ze dan zelf iets moeten laten horen.”

Een bruggenbouwer moet een sociaal dier en een rasoptimist zijn, zegt Halim El Madkouri, programmamanager religie en identiteitsvraagstukken van kennisinstituut Forum. „Je moet de belangen van de verschillende kanten in evenwicht houden. En je moet geloven, nee, je moet ervan overtuigd zijn dat toenadering mogelijk is.” Dat zegt ook Ruben Gowricharn. „Sterke bruggenbouwers moeten veel frustratie kunnen hebben. Ze moeten de gevoeligheden, de lange tenen van beide kanten aanvoelen en weten te omzeilen.”

Naïma Azough, Tweede Kamerlid voor GroenLinks en van Marokkaanse afkomst, zegt dat ze niet in de Kamer zit om alleen voor de belangen van Marokkanen op te komen. Als zij met haar standpunt ingaat tegen belangen van Marokkanen, hoort ze dat meteen. „Dan ben je net als al de rest.” Haar brugfunctie, denkt ze, zit eerder in haar voorbeeldfunctie. Marokkaanse meisjes zien één van hen in de politiek. Ze zien dat het haalbaar is.

Marcouch heeft nog tips voor bestuurders in crisissituaties: niet alleen maar afgaan op informatie van een ambtenaar. Ga altijd naar de plaats delict, dat leerde hij bij de politie. Veel praten. Problemen benoemen.

„En dan hard bidden dat het allemaal goed uitpakt.”