In een lekkend koekblik door de Himalaya

Tibets verdreven leider, de Dalai Lama, ontving deze week Amerika’s meest prestigieuze prijs. Na een barre tocht naar zijn ballingsoord in Dharamsala verzocht Willem Offenberg om een audiëntie bij ‘Zijne Heiligheid’

Wie op pelgrimstocht wil naar het Indiase ballingsoord van de Dalai Lama moet afzien. De staat van de enige toegangsweg naar dit gehucht met 20.000 Tibetanen, hoog gelegen in de Himalaya, doet oorlog vermoeden. Aanhoudende regens slaan gaten in de weg zo groot als bomkraters. Het openbaar vervoer bestaat uit een niet helemaal waterdicht koekblik met de vering van een goederentrein. Het water gutst door de schuiframen naar binnen. Geradbraakt na een tocht van vier uur vanaf spoorwegstation Pathankot beland ik uiteindelijk bij Dharamsala’s vervallen busstation. Voor logies is het nog negen kilometer klimmen naar MacLeod Ganj, langs kazernes van India’s infanterie, gelegen in de haarspeldbochten. De tocht per Mahindra-jeep kost acht roepies (16 eurocent). Deze terreinwagens rijden heen en weer, volgepropt met vrolijk kwekkende schoolmeisjes in uniform en vrouwen in elegante Tibetaanse klederdracht met voorschoot.

hangplek voor hippies

Een kilometer voor de eindbestemming is het asfalt totaal weggeslagen. Te voet gaat het verder naar het Green Hotel. Vroeger was het een hangplek voor hippies, nu is het pleisterplaats voor een netter soort backpacker, vooral Israeliërs en Italianen. Ze hebben in Dharamsala hun eigen theehuizen en pizzeria’s.

Het hotel blijkt vol. De naburige concurrent Yellow Hotel (Tibetaanse humor?) oogt nieuwer, is goedkoper en schoner. Drie trappen omhoog voeren naar een galerij waarlangs vier kamers liggen, elk voorzien van een kingsize hangslot. Kennelijk is het nodig. Bij de achterste droogt een jonge Australiër zijn kleren. Hij volgt een cursus reflexologie, Tibetaanse massage. Zitbankjes bieden uitzicht op de vallei. Door de dichte nevels heen is, als in een visioen, heel af en toe een glimp te zien van sneeuwbedekte pieken. Als ik neerplof voelt het alsof mijn nieren onderweg in de bus zijn achtergebleven.

Het liefst zou ik deze tocht bekroond zien door een ontmoeting met de Dalai Lama. Wie niet? Maar bij het State Security Bureau, waar twee Indiërs achter stapels gerafelde documenten hardnekkig toeristen negeren, is onbekend of de Dalai Lama überhaupt aanwezig is. Laat staan of een audiëntie is te regelen. De receptionist van het hotel belooft zijn oudere broer in te schakelen. Die werkt in het kantoor van de Tibetaanse ‘regering in ballingschap’ en kan bemiddelen. Tenminste dat zegt hij: „Vanavond komt mijn broer langs en kan ik het hem vragen.” Die zin zal de jonge Tibetaan drie dagen achtereen herhalen, als een soort mantra. Aziaten verkopen niet graag ‘nee’.

Dan maar zelf op onderzoek uit. De ‘regering’ zetelt in een handvol gebouwen van twee verdiepingen, op een klein plateau, halverwege de berghelling. Een bladgouden gompa, een Tibetaans heiligdom, steekt er hoog bovenuit. Links de bibliotheek met eeuwenoude gebedsrollen, gered van de Culturele Revolutie in China, die van 1966 tot 1976 als een ware beeldenstorm over het Tibetaanse land raasde. Hier verwijst men voor informatie naar de residentie van ‘Zijne Heiligheid’ in Tsuglagkhang, terug de berg op. In dit complex staat een replica van de Jokhang-tempel uit het verre Lhasa, de hoofdstad van Tibet aan gene zijde van de Himalaya. Binnen kijkt een imposante, drie meter hoge Boeddha-reïncarnatie, ook al van bladgoud, op de bezoeker neer. Ernaast een standbeeld van Avalokitesvara, godenkoning van mededogen, van wie de veertiende Dalai Lama een reïncarnatie zou zijn. In het complex is ook een expositie te zien van kleurige thangkas, recentelijk geschilderde afbeeldingen van zijn dertien voorgangers.

Karma Yongdue (32), dochter van een Tibetaanse vluchteling, leidt er rond. Als kind heeft ze Zijne Heiligheid meermalen in levende lijve gezien, het laatste jaar veel minder, omdat hij ernstig ziek is geweest. „Iets met de maag”, zegt ze vagelijk. „Ja, ik weet ’t, iedereen denkt direct aan kanker, maar dat gerucht is moedwillig door Chinezen verspreid.”

Zijn ziekte heeft het verlangen van de 72-jarige Dalai Lama om nog voor zijn dood voet op Tibetaanse bodem te zetten alleen maar versterkt. Yongdue vertelt dat heel Dharamsala speculeert over de vraag of dit zal lukken vóór de Olympische Spelen in Peking, augustus volgend jaar. Uitreiking, deze week, van de hoogste Amerikaanse onderscheiding, de Gouden Penning van het Amerikaanse Congres, aan de Dalai Lama, in aanwezigheid van president Bush, wordt uitgelegd als extra opstapje naar een vrij Tibet. In het dorp hangt een levensgroot bord waarop de dagen tot de Spelen hoopvol worden afgeteld. Het wekt verwachtingen. Terecht?

Olympische spelen

Yongdue ziet wel een enkele aanwijzing. Ze memoreert dat Bush onlangs de Chinese uitnodiging heeft geaccepteerd om de Olympische Spelen in Peking bij te wonen. President Hu Jintao heeft hard gelobbyd om Bush over te halen. Heeft Bush voorwaarden gesteld? En welke dan? Een uitruil is aannemelijk, zoals ook de Amerikaanse pers suggereert. Zal Hu de Dalai Lama toestaan voor één keer Tibet te bezoeken, al was het maar als privépersoon? Tibetanen achten het onwaarschijnlijk dat tussen Hu en Bush géén deal is gesloten. Zo niet, dan zou Bush de uitnodiging van Hu alsnog moeten afslaan. Om te bedingen dat de vurigste wens van de Nobelprijswinnaar voor de Vrede in vervulling gaat.

Yongdue, geboren in India, heeft Tibet nooit gezien, maar ze blijft hopen. „Eéns zal het gebeuren”, zegt ze zacht: „Misschien het komend jaar.”

Buiten komt de regen in bakken naar beneden. Mijn vlucht terug naar Delhi vanaf de nabije luchthaven Kangra wordt afgelast. Ik moet met dezelfde gammele bus terug. Ook de Dalai Lama heeft vaak geen andere keus dan over land naar de bewoonde wereld te reizen, een tocht van vele uren. Er is één schrale troost: vanuit het vliegtuig zou ik nooit die typische stenen vogels kunnen zien in het Indiase laagland. Ze staan als monsterlijke iconen op platte daken van huizen in de weelderig groene velden rondom. Iconen voor wie of wat eigenlijk? Niemand kan me de betekenis ervan uitleggen. Op zijn best lijken ze op adelaars met veel te korte vleugels, gedoemd om voor altijd aan de grond te blijven. Ze doen denken aan het droeve lot van de Dalai Lama, die al vijf decennia lang wacht op terugkeer naar zijn geboortegrond. Tot dusver vergeefs.