IJs, alg, bus, glas, bol

Karel Knip

fotodienst nrc handelsblad NRC Handelsblad

Terug naar eerder werk. Vorige week ging het over Nobelprijswinnaar Al Gore. Zijn film ‘An inconvenient truth’ mag op Britse scholen niet vertoond worden zonder de waarschuwing dat er negen onjuistheden of overdrijvingen in zitten: nine errors.

Ze werden hier niet genoemd en een enkele lezer die niet zo handig is met internet wil ze toch weten. Hier zijn ze: Gore denkt dat de grote, diepe oceaanstromingen door het broeikaseffect tot stilstand komen, dat ijsberen verdrinken omdat het zeeijs smelt, dat atollen nu al onderlopen, dat koraal onomkeerbaar verbleekt, dat de klimaatverandering de schuld is van het indrogen van het Tjaadmeer en het verdwijnen van het ijs op de Kilimanjaro, dat ook orkaan Katrina een gevolg was van de opwarming, dat de zeespiegel wel 6 meter stijgt als straks ijs op de zuidpool of Groenland opbreekt en dat uit analyse van luchtbellen uit zeer oud ijs blijkt dat CO2-spanning en temperatuur zich in historische tijden volkomen synchroon en analoog ontwikkelden. Als de herinnering niet bedriegt suggereerde Gore trouwens ook nog dat de biodiversiteit nu al te lijden had van het broeikaseffect en dat er meer ziekten zouden uitbreken. Dat heeft de rechter kennelijk niet door gehad.

Wat is Gores ergste overdrijving? De suggestie dat de zeespiegel ‘in de nabije toekomst’ meters gaat stijgen. Feit is dat de spiegel op dit moment niet merkbaar sneller stijgt dan hij al 150 jaar doet en dat er geen drama’s worden verwacht. Het is een paar apart, IPCC en Gore. De een de feiten zonder emoties, de ander de emoties zonder feiten.

Op 6 oktober ging het over een voorstel van de oude onderzoeker James Lovelock om de algengroei in de oceanen te stimuleren. Hij wil batterijen lange, brede buizen-met-kleppen in de zee hangen die onder invloed van golfslag of deining koud, voedselrijk water omhoog pompen. Hoe intensiever de algengroei hoe meer CO2 er uit de atmosfeer wordt opgenomen, is het uitgangspunt van zijn plan.

De AW hierover concentreerde zich op het pompmechanisme. Maar theoretisch bioloog Anne Willem O. wijst erop dat het voorstel op een misverstand berust. Als de drijvende pijpenbatterij voedselrijk water omhoog pompt komt met dat voedsel (nitraat, fosfaat) ook vanzelf weer veel CO2-rijk, of behoedzamer gezegd: koolstofrijk water naar boven. Het was een eye-opener die pas na enig nadenken de ogen opende. Waarschijnlijk is het koolstofgehalte van het water in een hele waterkolom over grote diepten praktisch overal gelijk. Aan de oppervlakte is het koolstof opgenomen in plankton, in de diepte is het als gevolg van mineralisatie van dode algen weer grotendeels aanwezig als anorganisch koolstof: als bicarbonaat.

Het is wel duidelijk waar het misverstand vandaan komt: er wordt altijd veel ophef gemaakt van de afvoer van calciumcarbonaat in de vorm van onoplosbare algenskeletjes naar de diepe diepzee. In feite is dat op de korte termijn (jaren, decennia) een te verwaarlozen stroom. Nature was zo hoffelijk om Lovelocks idee ongewijzigd af te drukken en verderop in het blad te laten neersabelen.

Lezer Jaap E. vroeg zich eerder deze zomer af of energiebesparing die tot geldbesparing leidt in zijn netto-effect niet wordt overschat. Want het geld dat de consument bespaart wordt meestal gebruikt voor activiteiten die ook weer energie verspillen, bijvoorbeeld vliegen naar Thailand. De kwestie is in de AW van 22 september behandeld. Daar is toen en passant beweerd dat vliegen vaak milieuvriendelijker is dan autorijden, althans was betreft de uitstoot van CO2. Er zijn lezers die weigeren dit te geloven.

Toch valt het eenvoudig te verifiëren. In boeken als ‘Jane’s - All the world’s aircraft’ staat voor veel vliegtuigen getabelleerd wat de range (het vliegbereik), de passagierscapaciteit en de brandstofcapaciteit van de toestellen is. Voor de Boeing 747-400 wordt bij een brandstofcapaciteit van 204.000 liter kerosine een bereik van 13.200 km opgegeven. Met alle 400 passagiers aan boord komt dat neer op zo'n 0,039 liter kerosine per passagierskilometer. Een auto die 1 op 15 rijdt verbruikt 0,067 liter benzine per passagierskilometer. Dat is te zeggen: als er maar één inzittende is. Met twee inzittenden zakt dit naar 0,033, dat is de orde van grootte van een volle Boeing 747. Als de Boeing een bezettingsgraad van 85 procent heeft (er zijn dan maar 340 passagiers) is het feitelijke brandstofverbruik per passagierskilometer natuurlijk juist hoger: 0,045 liter. De bezettingsgraad is doorslaggevend in dit soort vergelijkingen. Het zuinigste transportmiddel is een stampvolle autobus.

Op 1 september werden een paar strand- en zeewaterwaarnemingen uitgewerkt. De nieuwe duikbril van zuiver veiligheidsglas bleef beslaan alsof hij van ordinair plastic was. Om gek van te worden. Wat is er toch met dit glas, is hier geroepen. Diverse lezers zijn te hulp geschoten: het schijnt dat het glas onbedoeld wordt bespoten met een spray die eigenlijk bestemd is voor het kunstrubber waaruit de rest van het masker bestaat. In duikkringen geeft men elkaar het advies de coating met tandpasta (in essentie een polijstmiddel met muntsmaak) te verwijderen. Daarna voorkomt spuug het beslaan.

Maar nu. Kan een mens niet gewoon met het blote oog zien dat de horizon bol staat? Dat was ook zo'n strandvraag. Wie maar lang genoeg denkt dat het kàn, meent het ook te zien. Van AW-wege is een halfhartige poging gedaan om een dun stuk touw heel precies horizontaal strak te spannen tussen twee palen. Keek je van een paar meter afstand naar dat touw dan zou je misschien iets van een bolling zien.

Maar het werd niets, hoewel op 1 september is uitgelegd dat het theoretisch wel mogelijk is. Een enkele lezer weerlegde dit met een gecompliceerd bewijs uit het ongerijmde, maar daar staat het bijgaande plaatje weer tegenover. Natuurlijk kan het.

Sterker nog: in het tijdschrift NGT Geodesia (94-2) heeft de Delftse ingenieur G.L. Strang van Hees het idee al eerder uitgewerkt. Hij zat in 1993 op het dek van de ‘Achille Lauro’ (de oude ‘Willem Ruys’) met een borreltje naar de horizon te staren toen hij plotseling zag dat deze bolvormig boven de rechte railing uitstak. Hij zat op 3 meter van de railing en die zag hij onder een hoek van maar liefst 120 graden: 60 naar links en 60 naar rechts. Ooghoogte boven zeeniveau was 15 meter. Onder deze omstandigheden stak de horizon 6 mm boven het midden van de railing uit. De einden links en recht stonden precies op de horizon.

Wij van AW weten dat S. van H. dit verzonnen heeft. Hij heeft het niet echt gezien want het verschil is te klein om het op een schommelend schip zichtbaar te krijgen. Maar het stemt tot tevredenheid dat zijn goniometrische berekening precies overeen komt met de ruwe middelen die AW gebruikte: Pythagoras en een zakjapanner.