Het kleine koninkrijk en de Holle identiteit (II)

(Wat eraan vooraf ging: de Wijze Raad voor Regeerideeën heeft het kleine koninkrijk aan zee, ook wel Leegland of het Holle Land geheten, in opperste verwarring gestort door bekend te maken dat dé Holle identiteit niet gevonden kan worden.)

Niet iedere identiteit was echter zoekgeraakt om nooit meer teruggevonden te worden. Sommige identiteiten waren namelijk ‘primair’, terwijl andere slechts ‘secundair’ waren, zo verkondigde de Wijze Raad voor Regeerideeën. „Het is een kwestie van belang versus gewicht”, doceerde het breedste èn belangrijkste lid van de Wijze Raad met bassende stem. „Een Holle identiteit zoals de onze heeft nu eenmaal minder gewicht. Trouwens, het gáát helemaal niet om identiteit, maar om meervoudige identificaties.” De Leeglanders, die sinds de inspanningen van het Geleerde Genootschap voor de Taal geen moeilijke woorden meer konden lezen, begrepen er maar weinig van. Maar een ding was ze duidelijk: sommige eigenheden, zei de Wijze Raad, waren eigener dan andere.

Dus spoorde de Wijze Raad de besnorde gastarbeiders en hun olijfkleurige kinderen aan hun eigen wortels en voetsporen te koesteren. Daar was namelijk geleerd onderzoek naar gedaan: als de olijfkleurige gastarbeiders hun voetsporen zomaar uitwisten, dan zou dat wel eens schadelijk kunnen zijn.

De olijfkleurige gastarbeiders, niet zo dom als het werk dat ze deden, haalden er hun schouders over op. Zelf hadden ze nooit verwacht dat het makkelijk zou zijn hun dorre, arme, maar innig geliefde moederland los te laten. Het was ze echter bij aankomst al opgevallen dat de Leeglanders helemaal niet verwachtten dat ze dat moederland achter zich zouden laten om nooit meer terug te keren.

„Let maar niet op ons hoor”, hadden de onderdanen van het kleine koninkrijk ze hartelijk verwelkomd. „Onze identiteit is Hol, saai en wit. Die van jullie, die is pas vol, swingend en kleurig! Dat is waardevol, daar moet je aan vásthouden.” De olijfkleurige gastarbeiders, die best trots waren op hun afkomst, maar hun moederland tenslotte niet voor niets hadden verlaten, luisterden vol verwondering naar de bescheidenheid van deze succesvolle, welvarende en gelukkige Leeglanders. Ze zwegen beleefd.

Wilden de onderdanen van het kleine koninkrijk soms hun welvaart, cultuur en vrijheid voor zichzelf houden, door er zo laatdunkend over te spreken en te doen alsof het iets onaantrekkelijks was, vroegen ze zich af in stilte. Maar al snel werd het de olijfkleurige, besnorde gastarbeiders duidelijk dat het onder Leeglanders als beschaafd, ja zelfs chique werd beschouwd om zich niet te laten voorstaan op de Holle identiteit. Dat had iets te maken met eerdere generaties Leeglanders, die vreemde volkeren hadden overheerst, en nog helemaal niet zo lang geleden in de Grote Buurlanden Oorlog zonder tegenstribbelen grote aantallen Leeglanders van uitheemse afkomst hadden laten deporteren, dit alles in naam van de Holle superioriteit. Misschien wilden de Leeglanders van nu de balans herstellen door de Holle identiteit van de weeromstuit als inferieur te presenteren. Het leek warempel wel alsof ze met terugwerkende kracht alsnog Goed probeerden te zijn in de Grote Buurlanden Oorlog, dachten de olijfkleurige gastarbeiders.

Een beetje vreemd was het wel. Zo gold in Leegland de kwalificatie „Onleeglands goed” als de hoogst mogelijke lof. En als de onderdanen van het kleine koninkrijk iets echt uitzonderlijk mooi vonden, dan noemden ze het „van on-Hollelandse allure”. Was ‘Leeglands’ dan het tegenovergestelde van goed, peinsden de gastarbeiders. En moesten zij zich daar dan mee identificeren? Heel soms was er wel eens een Leeglander die hardop verkondigde: „Wij moeten onszelf niet als verliezers neerzetten.” Meestal ging het dan over het Holle voetbalelftal.

Nee, makkelijk was het niet voor de olijfkleurige gastarbeiders om zich met deze Holle, al te Holle aard te identificeren. Maar deed dat er eigenlijk iets toe, zo vroegen ze zich af, zolang ze zich maar aan dezelfde wetten hielden, dezelfde belastingen betaalden, dezelfde taal spraken? Zaten zij soms niet aan bij dezelfde feestmaaltijden die de buurlieden ’s zomers op straat hielden, spaarden zij niet dezelfde zegeltjes bij dezelfde kruidenier? Wetten, taal, zegeltjes – het zou voldoende moeten zijn.

Het probleem openbaarde zich bij de olijfkleurige kinderen. Niet alleen hielden die zich lang niet altijd aan de Holle wetten, ook bleken ze in feite helemaal niet dezelfde taal te spreken als de Leeglanders. Dat van die wetten begrepen de Leeglanders wel – waren de arme schapen immers niet olijfkleurig en ontworteld? Daarnaast had het de onderdanen van het kleine koninkrijk nooit erg veel uitgemaakt of de olijfkleurige kinderen de taal wel spraken. Zelfs de blondste Holle kinderen spraken die tenslotte maar gebrekkig, sinds de spellingsverbeteringen van het Geleerde Genootschap voor de Taal. „Jullie taal is zo zangerig en poëtisch”, complimenteerden de Leeglanders de besnorde gastarbeiders, „de onze is maar hard en Hol”. Een vreemde taal kon – de Wijze Raad schreef het zelf – juist een „bron van dynamiek en innovatie” zijn.

Maar nu was uit een grote taaltest gebleken dat het merendeel van de kinderen op de ambachtsscholen – en het merendeel was olijfkleurig – zelfs niet het Leeglands op een eenvoudige wegwijzer wist te lezen. Daarmee konden de olijfkleurige jongelingen niet eens meer aan de slag in de fabrieken! Hoe hadden deze kinderen de lagere school kunnen doorlopen, de voorbereidende leergangen? Hoe had dit onopgemerkt kunnen blijven? Niemand die het antwoord wist, behalve dan de bekende wanhopige schoolmeesters in hun sleetse, met roos bedekte colbertjes, die luidkeels en met veel consumptie hetzelfde verhaal afstaken dat ze al een jaar of twintig herhaalden, als een vastgelopen grammofoonplaat.

Niet dat er naar hen werd geluisterd, want inmiddels waren er nóg luidere stemmen opgegaan. „Leegland is vol”, riepen die, waarop het ministerie van Inworteling in allerijl een cursus ‘Leeglander worden’ bedacht – geen geringe prestatie in het licht van de onvindbare Holle identiteit. De Wijze Raad ondertussen dacht het probleem te kunnen oplossen door de polariserende woorden ‘inheems’ en ‘uitheems’ af te schaffen. Konden de onderdanen van het kleine koninkrijk niet allen mengelmensen worden?

Nee, beste lezers, het was niet de Holle identiteit die de gastarbeiders in de weg stond. Dat was een typisch Leeglandse opvatting van de Wijze Raad, die graag in wonderlijke abstracties dacht waar praktische maatregelen zouden volstaan. Maar dat zat nu eenmaal in de aard van de burgers van het Holle Land, die grazende koeien zagen als ze naar de zee keken, en nooit waren opgehouden ideaal en werkelijkheid te verwarren.

corine vloet