Het grote verschil

Azië kent een groeispurt. Afrika stagneert. Welvarende metropolen staan tegenover sloppenwijken. Georganiseerde landbouw tegenover kwakkelend platteland. De wetenschap wil weten waarom. Dirk Vlasblom

Stadhuis van Kuala Lumpur

Kuala Lumpur is de hoofdstad van de Federatie Maleisië en een welvarende metropool. De twee miljoen inwoners zijn ruimtelijk keurig geordend. In het centrum staan goed onderhouden koloniale gebouwen en strakke wolkenkrabbers, waaronder de 452 meter hoge Petronas Twin Towers. Om het centrum heen, in de tweede ring, staan de shop-houses van de Chinese wijk en Klein India. Aan de rand van de stad liggen nette nieuwbouwwijken en ordentelijk aangeveegde kampongs. De stad gaat er kalmpjes over in het platteland.

Nairobi, de hoofdstad van Kenia, kent geen zachte overgangen. De stad wordt bestormd door een verpauperd platteland. Hij is in vijftig jaar gegroeid van een half naar 6 miljoen inwoners en kan de toeloop niet aan. In de sloppenwijk Kibera, een paar kilometer van het zakencentrum, wonen 600.000, misschien 1 miljoen mensen; niemand die het weet. Het is er onveilig en smerig; er zijn geen trottoirs, er is nauwelijks verlichting en geen riolering.

Toen de twee landen onafhankelijk werden van Groot-Brittannië – Maleisië (toen nog Malaya) in 1957 en Kenia in 1963 – leken hun hoofdsteden nog op elkaar. De koloniën in Azië en Afrika begonnen min of meer gelijktijdig aan een zelfstandig bestaan en in menig opzicht was het een gelijke start. Aan het einde van de jaren vijftig bevonden ze zich in hetzelfde stadium van economische ontwikkeling. De gemiddelde hoofdelijke inkomens in Afrika en Azië waren nagenoeg gelijk.

In de afgelopen vijftig jaar beleefde Afrika bezuiden de Sahara de ene economische mislukking na de andere, terwijl een deel van Azië een spectaculaire groei doormaakte. Vooral in de laatste dertig jaar liepen de groeicurven steeds verder uiteen.

Nog in 1980 was het gemiddelde hoofdelijke inkomen in Zuid-Oost Azië lager dan in Afrika bezuiden de Sahara; in 1993 was het al tweemaal zo hoog. In Afrika is het percentage armen tussen 1990 en 2002 niet veranderd – 44 procent van de bevolking – terwijl de bevolking groeide. In Zuid-Oost Azië daalde het armoedecijfer in dezelfde periode van 19 tot 7 procent.

snelle groeiers

Niet voor niks repte de Wereldbank in 1993 van ‘het Oost-Aziatische wonder’. Dat sloeg op de acht best presterende Aziatische economieën: Japan, Hongkong, Zuid-Korea, Taiwan, Thailand, Maleisië, Singapore en Indonesië. Op Hongkong en Japan na allemaal nieuwkomers onder de snelle groeiers. En vijf ervan lagen in Zuid-Oost Azië. Zij vermenigvuldigden in luttele jaren hun voedselproductie en schiepen een succesvolle exportindustrie. Toen deze Aziatische tijgers in de jaren tachtig begonnen te brullen, stortte de Afrikaanse export in.

Vanwaar dit grote verschil? Liet Afrika iets na wat Azië wél deed of deed het hetzelfde, maar verkeerd? Kan Afrika iets leren van Azië? Wat brengt eigenlijk ontwikkeling op gang? Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken nam vorig jaar het initiatief tot – en trok geld uit voor – een internationaal onderzoek dat antwoorden moet vinden op deze vragen. Het project kreeg de passende naam Tracking Development.

Tot 2011 maken acht onderzoekers – vier uit Afrika en vier uit Zuid-Oost Azië – een vergelijkende studie van een halve eeuw economische ontwikkeling in hun landen en van het in die periode gevoerde beleid. Daarbij zullen de Aziaten een Afrikaans land onder de loep nemen en de Afrikanen een land in Azië.

nieuwe ideeën

Coach van de Afrikaanse onderzoekers is politicoloog Jan Kees van Donge, kenner van Afrika en verbonden aan het Afrika Studie Centrum en het Institute for Social Studies. Hij weet van de hoed en de rand. “Het is Buitenlandse Zaken vooral te doen om nieuwe ideeën voor het eigen beleid. Veel staten in Afrika zijn afhankelijk van Nederlandse en andere ontwikkelingshulp. Zo is in Tanzania 52 procent van de begroting buitenlands gefinancierd; in Oeganda 48 procent. Het is de vraag of dit nog lang kan doorgaan.”

Geestelijke vader van het project is historicus Roel van der Veen, een diplomaat met ervaring in Azië en Afrika. Van der Veen geeft volmondig toe dat zijn ministerie verlegen zit om input voor het Afrikabeleid. “De hulp heeft tot nu toe weinig ontwikkeling op gang gebracht. We moeten met onze gedachtenvorming niet blijven hangen in de Afrikaanse context, want daar is niet veel nieuws meer te vinden. En dan ligt het voor de hand te kijken naar de Aziatische succesverhalen en te bezien in hoeverre die toepasbaar zijn in Afrika.”

Het project begint niet in een vacuüm. Sinds aan het begin van de jaren negentig het succes van de Aziatische tijgers doordrong tot de wereld is veel nagedacht over de redenen waarom zij wél slaagden en Afrika niet.

De Wereldbank gaf in 1993 een verklaring voor het tijgersucces die onder donoren een soort canon is geworden. De landen in kwestie hadden de inflatie in de hand. Zij hielden hun wisselkoersen op een niveau dat goed was voor de export. Hun banksysteem functioneerde en dat wekte vertrouwen bij buitenlandse investeerders. Ze hadden zelf geïnvesteerd in onderwijs. Ze hadden de landbouw ondersteund door de prijzen van basisvoedsel en kunstmest te subsidiëren. Ze schermden hun ambtenaren af van partijenstrijd, bijvoorbeeld door verplicht lidmaatschap van de staatspartij. Overheid en zakenleven werkten goed samen en de tijgers hadden export gekozen als doel, strategie én maatstaf voor ontwikkeling. Westerse bedrijven die hun productieactiviteiten in de jaren tachtig massaal verhuisden naar landen met lage lonen, gingen naar Zuid-Oost Azië, niet naar Afrika.

Afrika bezuiden de Sahara en Zuid-Oost Azië hebben veel gemeen. In de eerste plaats hun koloniale verleden. Verder liggen beide gebieden in de tropen, met alle ecologische en medische problemen van dien. Alle twee zijn ze in de loop der tijd opgenomen in de wereldeconomie als producenten van grondstoffen en agrarische producten voor de rijke landen. En beider economieën worden commercieel gedomineerd door allochtone minderheden: in Franstalig Afrika Libanezen, in Engelstalig Afrika Indiërs en in Zuid-Oost Azië Chinezen.

Maar er zijn ook grote verschillen. Sommige onderzoekers wijzen op geografische factoren die van invloed zijn op economische ontwikkeling en vinden dat Afrika in dit opzicht slechter af is dan Zuid-Oost Azië. De Britse econoom Paul Collier noemde in het artikel Africa: Geography and Growth (2006) Afrika’s ongunstige fysieke én sociale geografie.

Collier onderscheidt landen in drie categorieën: (1) rijk aan natuurlijke hulpbronnen; (2) arm aan hulpbronnen maar gelegen aan de kust; en (3) arm aan hulpbronnen en ingesloten door land. Mondiaal presteren aan de kust gelegen landen zonder grondstoffen het beste. Door land ingesloten en aan grondstoffen arme landen doen het ‘t slechtst. In ontwikkelingslanden buiten Afrika woont maar liefst 88 procent van de bevolking in kuststaten met weinig hulpbronnen. Elf procent woont er in grondstofrijke landen en één procent in ingesloten, grondstofarme landen. Maar in Afrika is de bevolking gelijkelijk verdeeld over de drie categorieën: slechts eenderde woont in de gunstigste categorie. Deze ongelukkige verdeling scheelt het continent volgens Collier jaarlijks 1 procent groei.

Verder is Afrika bezuiden de Sahara dun bevolkt. Er wonen 650 miljoen mensen op een oppervlakte van 20 miljoen km2. In Zuid-Oost Azië, maar 4 miljoen km2 groot, wonen er bijna evenveel (550 miljoen). Afrika is verdeeld in vijftig staten met kleine, etnisch zeer diverse bevolkingen. Wereldbankeconomen William Easterly en Ross Levine ontwikkelden in 1997 een index voor etnische diversiteit: de kans dat in één land twee willekeurig geselecteerde individuen behoren tot dezelfde etnische groep. Van de vijftien landen die het laagst scoren op deze index – lees: etnisch het meest divers zijn – bleek er maar één (India) buiten Afrika te liggen. De auteurs berekenden dat 35 procent van het groeiverschil tussen Azië en Afrika is te wijten aan het verschil in etnische diversiteit. Grotere diversiteit leidt tot een heviger concurrentie om hulpbronnen, inkomsten en banen bij de overheid, die kan uitmonden in burgeroorlog.

modelstudie

In 2000 schreef Easterly dat dit verband tussen diversiteit en groei mede wordt bepaald door de kwaliteit van de overheidsinstellingen: ‘Etnische diversiteit heeft een negatiever effect op economisch beleid en groei als die instellingen zwak zijn. Maar de negatieve uitwerking van zwakke instellingen op groei en beleid is groter als de etnische diversiteit groter is.’ De Amerikaanse econoom John Morell maakte vorig jaar een modelstudie van de ontwikkeling in Afrika en Azië in de jaren 1950-1972. Hij verklaarde de toen al groeiende kloof uit – precies – het verschil in kwaliteit van de staatsapparaten. In afwijking van de receptuur van de Wereldhandelsorganisatie, die neerkomt op vrije markten en een terughoudende overheid, stellen steeds meer onderzoekers vast dat de Aziatische staten een actieve rol hebben gespeeld, onder meer in de vorm van protectie, en dat de Afrikaanse mislukkingen goeddeels zijn te wijten aan de zwakte van Afrikaanse staten.

De meeste onderzoekers van Tracking Development vinden het nog te vroeg voor hypothesen, maar een enkeling lost een schot voor de boeg. De Nigeriaanse politicoloog Adewale Aderemi ziet grote overeenkomsten tussen zijn land en Indonesië en noemt met name “een zwak, corrupt, door primordiale banden beïnvloed staatsapparaat”. Hem intrigeert waarom Indonesië desondanks succesvol is geweest. Hij denkt aan een trickle-down effect van naburige Aziatische tijgers als Singapore, Hongkong en Taiwan. “In Afrika’”, zegt hij, “word je niet aangestoken door succesvolle buren, want die zijn er niet.”

Ook Van Donge wil wel een schot lossen. Volgens hem is de landbouw Afrika’s zwakke plek. “De laatste jaren trekt de groei wat aan. Maar die is geconcentreerd in exportsectoren met enclaves van relatieve welvaart: toerisme, mijnbouw, vis- en bloemkwekerijen. Die leveren nauwelijks stimulansen op voor de rest van de economie. En die rest is landbouw, vooral landbouw.”

Van Donge krijgt bijval. De Wageningen Universiteit belegde op 10 oktober een conferentie over het thema ‘Ontwikkeling in Afrika?’ Hans Eenhoorn is in Wageningen docent Voedselveiligheid en Ondernemerschap en is lid van de door voormalig VN-chef Kofi Annan in het leven geroepen Taskforce on Hunger.

“Een industriële revolutie als in Zuid-Oost Azië”, zei Eenhoorn, “is voor Afrika geen geen optie. Het continent kan de eerstkomende decennia niet concurreren met India en China. In Afrika blijven bewoners van het platteland, nu meer dan tweederde van de bevolking, nog heel lang in de meerderheid. De meesten hebben toegang tot grond, maar die is van slechte kwaliteit als gevolg van erosie, droogte en uitputting door verbouw van steeds dezelfde gewassen. Hetzelfde stukje grond wordt door overerving steeds verder opgedeeld. Alleen een hogere productiviteit van kleine boeren en een betere toegang tot de door importvoedsel overspoelde binnenlandse markt kan de honger in Afrika terugdringen.’’

bodemdegradatie

De vraag is waarom dit niet gebeurt. Niek Koning, docent landbouweconomie in Wageningen, wijt dit aan de dwingende liberaliseringsagenda van internationale donoren, die Afrikaanse landen verbieden de eigen landbouw te beschermen. Koning: “Door het neerhalen van die tariefmuren worden de boeren niet meer beschermd tegen dalende wereldmarktprijzen. Daardoor raken de agrarische samenlevingen in een neerwaartse spiraal. Boeren hebben geen marges om te investeren in duurzaam grondbeheer. Maar die is wel nodig als de bevolkingsdruk op de grond oploopt. Die druk leidt tot bodemdegradatie en die leidt weer tot verarming, wat de marges voor investeringen verder doet slinken.’’

Van Donge schrijft de stagnatie in de Afrikaanse landbouw vooral toe aan de politici. “De politieke elite in Afrika heeft eigenlijk geen belangstelling voor het platteland. Op een enkele uitzondering na, zoals Kenia, is er geen beleid. Afrikaanse leiders bouwen vaak een huis, villa of paleis in hun geboortedorp, maar geen boerderij.

“In een land als Ghana, waar ik jaren heb gewerkt, is de hele economie gericht op migratie, op weggaan. In Afrika is het gevoel wijdverbreid dat je om vooruit te komen in het leven weg moet uit je dorp, uit je land. Misschien willen de mensen weg omdat het platteland zo weinig te bieden heeft en komt dát weer omdat de beleidselite met zijn rug naar de dorpen staat.”

Volgens Van Donge was landbouwpolitiek de sleutel tot het succes van de Zuidoost-Aziatische tijgers. “Vietnam beleefde in 1945 een rampzalige hongersnood en in Indonesië werd nog in de jaren zestig honger geleden. De angst voor herhaling werd nog versterkt door nationaal eergevoel: dat zal ons land niet meer overkomen.

“Vietnam heeft de rijstprijs gesubsidieerd, zowel aan de producenten- als aan de consumentenkant. Dat is het best denkbare sociale vangnet. In Indonesië is een voedselpolitiek gevoerd met kunstmestsubsidies. Zo vergroot je de opbrengst, stijgt het inkomen van de boeren en gaan de prijzen voor stedelijke consumenten naar beneden. Ook Maleisië voerde een landbouwpolitiek geconcentreerd op basisvoedsel. We moeten onderzoeken in hoeverre deze actieve landbouwpolitiek de grondslag heeft gelegd voor een economische take-off. In ieder geval heeft die geleid tot een forse vermindering van de armoede.”

In Zuid-Oost Azië waren het autoritaire regeringen die de ontwikkeling op gang brachten. Volgens Afrikanen komt zo'n ommekeer alleen tot stand door druk van onderop.

meer macht

Mercy Karanja, een Keniaanse die jaren voor het ministerie van Landbouw werkte, daar met grote weerzin vertrok en een tweede carrière maakte bij de Boerenbond, zei in Wageningen: “Niet alleen de donorgemeenschap, die blijft hameren op het slechten van tariefmuren, maar ook onze eigen leiders moeten worden wakker geschud. Dat kan alleen als boeren meer macht krijgen. Sinds in 2002 verkiezingen met meerdere partijen zijn gehouden in Kenia wordt er naar ons geluisterd. We hadden een gesprek met de president over stabilisering van graanprijzen en coöperatieve verwerking van melk. Heus, zonder sterke boerenbonden gaat het roer niet om in Afrika.”

Maar de koers wordt ook niet verlegd als Afrikanen blijven doen alsof de koloniale geschiedenis hun noodlot is. Belay Kassa, hoogleraar landbouwkunde in Ethiopië, zei in Wageningen tegen de Afrikaanse politici: “Houdt op de schuld te geven aan de natuur, aan de buitenwereld, aan het verleden. Neem zelf verantwoordelijkheid.”

Van Donge: “Terecht. Aziatische studenten zeggen tegen mij: ‘Die Afrikanen hebben een koloniale hang-up. Hoelang zijn ze nu al onafhankelijk?’ Zij willen niets meer horen over kolonialisme en onderontwikkeling. Zij willen leren. Als Afrikanen onder die invloed historische ballast van zich afgooien, is dat winst. Het feit dat er een voorbeeld is van succesvolle ontwikkeling buiten West-Europa, in een deel van de wereld waarmee Afrika geen koloniale banden had, werkt enorm emanciperend.”

Vandaag in het Zaterdags Bijvoegsel over Singapore: ‘Steriel paradijs zoekt opwinding’