Een leven tussen Bijbel, seks en dood

De gisteren op Texel overleden Jan Wolkers bezat ‘een bijna hardhandig geloof in schoonheid’. Hij laat een tijdloos oeuvre na van schilderijen, sculpturen en literair werk.

„We verliezen een geniaal kunstenaar. De eiken vallen als woudreuzen om je heen weg. Maar ja, we zijn ook allemaal over de tachtig, dus je ziet die schitterende eiken tot hakhout vernield worden, door de tijd, door de dood.” Aldus Jan Wolkers anderhalf jaar geleden, bij het overlijden van Gerard Reve. De schrijver-kunstenaar, beroemd door romans waarin de dood een alles overheersende rol speelt, is nu zelf geveld. Gisteren overleed hij, 81 jaar oud, in zijn slaap in zijn huis op Texel. Wolkers wordt woensdag gecremeerd op begraafplaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam.

Jan Wolkers laat behalve schilderijen en sculpturen een literair oeuvre na van vijf verhalenbundels, één toneelstuk, twee dichtbundels, vijftig essays, en veertien romans die de Nederlandse literatuur wezenlijk hebben veranderd.

Niet dat Wolkers (Oegstgeest, 26 oktober 1925) was voorbestemd tot een carrière in de literatuur – al werd hij door zijn strenggereformeerde ouders opgevoed met de poëzie en de tot de verbeelding sprekende seks- en geweldverhalen uit de Bijbel. Bioloog wilde de kleine Jan worden; liefde voor de natuur was de rode draad in zijn leven. Maar zijn onderwijzer in Oegstgeest stuurde hem naar de ulo, die hij (zoals Wolkers later zou verklaren) het best vond passen bij ‘ons milieu en de armoede thuis’. Jan was de tweede zoon van een kruidenier die in crisistijd elf kinderen moest grootbrengen.

Mislukt op school, en na twaalf ambachten en dertien ongelukken, begon Wolkers zijn loopbaan als beeldend kunstenaar in 1941 aan de Avondtekenschool in Leiden – een ervaring die hij, net als de Duitse bezetting en de dood van zijn oudere broer door difterie, zou verwerken in zijn eerste roman Kort Amerikaans uit 1962. Drie jaar eerder was hij in het tijdschrift Tirade gedebuteerd met ‘Het tillenbeest’. Het korte verhaal, over een jongen die op een even onverwachte als plastische manier wordt geconfronteerd met het lijk van zijn zuster de ‘moffenmeid’, was in veel opzichten een prelude op Wolkers’ latere oeuvre, dat gekenmerkt wordt door verstikkende ouderlijke milieus, dood, bederf, oorlog en seks (‘tillen’ zijn borsten). Zoals Wolkers zijn voorbeeld Edgar Allan Poe zou citeren: ‘The death of a beautiful woman is, unquestionably, the most poetical topic in the world.’

‘Het tillenbeest’ werd het openingsverhaal van de bundel Serpentina’s petticoat, die in 1961 verscheen en de auteur in één klap in de voorhoede van de literatuur plaatste.

Bij de Grote Drie van de naoorlogse Nederlandse literatuur werd Wolkers vreemd genoeg zelden gerekend. Misschien komt dat doordat zijn barokke stijl (net als die van Hugo Claus) niet beantwoordt aan de eisen van eenvoud en onopgesmuktheid die Nederlanders van hun grote schrijvers verwachten. Misschien ook omdat zijn romanproductie na De doodshoofdvlinder (1979, over een zoon die zijn vader begraaft en zijn gereformeerde jeugd herbeleeft) in kwaliteit afnam, en na 1984 (De onverbiddelijke tijd) zelfs helemaal tot stilstand kwam.

Maar een schrijver heeft het recht om op zijn beste boeken beoordeeld te worden, en dat zijn er in het geval van Wolkers nogal wat. Turks fruit natuurlijk. De bundels Serpentina's petticoat en Gesponnen suiker, waarin Wolkers seks en dood op een obsessieve manier met elkaar verbond. De Indië-romans De walgvogel en De kus. En bovenal Terug naar Oegstgeest, de geschiedenis van een gereformeerde jeugd die anno 1965 in Nederland een nieuwe standaard zette voor literaire autobiografie.

[Vervolg Wolkers: pagina 7]

Schoonheid, wreedheid, liefde als snoer des levens

Wolkers’ onverbloemde stijl, zijn vrijmoedige (om niet te zeggen oneerbiedige) omgang met eros en thanatos, en niet te vergeten zijn vernietigende beeld van het geloof der vaderen, maakten hem tot een literaire rebel met een voorbeeldfunctie voor de jaren-zestiggeneratie. Een gevaarlijk schrijver werd hij, iemand die verketterd werd door schoolmeesters en ouderwetse opvoeders. Nog tot eind jaren zestig was zijn werk taboe op de leeslijsten in het voortgezet onderwijs; iets wat een decennium – en een seksuele en religieuze revolutie – later ondenkbaar leek, toen Wolkers de meest gelezen Nederlandse auteur op de middelbare school werd.

Niet alleen op school trouwens; vanaf de liefdes- en tijdgeestgeschiedenis Turks fruit (1969, naar de verfilming door Paul Verhoeven met Monique van de Ven en Rutger Hauer uit 1973 zouden drie miljoen Nederlanders gaan kijken) was Wolkers een bestseller, een schrijver wiens romans met tienduizenden exemplaren werden herdrukt en die bij signeersessies lange rijen bij de boekhandel genereerde. Hij was een held van zijn tijd, een bohémien die zich – net als het kunstenaarsbeest uit Turks fruit – tegen iedere autoriteit keerde. Vietnam, de NAVO, dierenmishandeling, het regime van de Indonesische dictator Soeharto – er waren weinig ‘progressieve’ protesten waar Wolkers zich niet aan verbond. Uit onvrede met het politieoptreden tijdens het huwelijk van Beatrix en Claus in 1967 stuurde hij een prijs van de gemeente Amsterdam terug. Iets wat hij zou herhalen in 1982, toen hij de Constantijn Huygensprijs afwees omdat hij vond dat hij er te lang op had moeten wachten, en in 1989, toen hij de P.C.Hooftprijs weigerde omdat hij vond dat Marten Toonder die eerst maar eens moest krijgen.

In een essay in het Cultureel Supplement schreef Arnon Grunberg bij de tachtigste verjaardag van Wolkers: ‘Zoals een ware valse profeet betaamt heeft Jan Wolkers de sluier van Gods werkelijkheid gerukt, hardhandig, boos, maar ook liefdevol, en met een voor mij vreemd bijna hardhandig geloof in schoonheid. Van de natuur, van andere schrijvers en dichters, van vrouwen, van seksualiteit, als gezegd ook van de dood.’ Grunberg is niet de enige schrijver die zich schatplichtig verklaart aan de schrijver die zich in 1981 terugtrok in een burgemeestershuis op Texel om zich te wijden aan de opvoeding van zijn tweelingzonen Tom en Bob. Ook schrijvers als Kees van Beijnum en Ronald Giphart spiegelen zich aan zijn literaire vitaliteit, terwijl het werk van allochtone auteurs als Moses Isegawa (De Abessijnse kronieken) en Said El-Haji (De dagen van Sjaitan) duidelijk de invloed van zijn stijl en thematiek laat zien.

‘Schoonheid, wreedheid en liefde; samen vormen die elementen het snoer des levens’, zei Wolkers in het interview dat Hella Haasse hem in 1996 afnam voor het schrijversprentenboek Tijd bestaat niet. En hoewel Wolkers na 1984 nog maar één novelle schreef (het boekenweekgeschenk van 2005, Zomerhitte, dat met zijn aandacht voor de natuur, de strijd tegen de aftakeling en de alomtegenwoordigheid van de dood las als een compendium van zijn oeuvre, en dat verfilmd wordt onder regie van Monique van de Ven), werd hij zijn levensmotto niet ontrouw.

In de jaren tachtig en negentig legde hij zich toe op schitterend geschreven essays over kunst en literatuur (verzameld in De schuimspaan van de tijd, 2001), in de jaren nul maakte hij voor het kinderprogramma Villa Achterwerk van de VPRO twee series van De achtertuin van Jan Wolkers, waarin hij aanstekelijk vertelde over plantjes en beestjes; en tussentijds schreef hij aangrijpende gedichten over herfst, ouderdom en dood: ‘Men tilt een blad op en daar staat geschreven / In taal die slechts de wormen is gegeven, / Dood, dood, en nog eens dood, en even leven.’

Dat ‘even leven’ heeft geresulteerd in een tijdloos oeuvre, waartoe niet alleen Wolkers’ beeldende kunst en literaire werken behoren, maar ook de hilarische en ontroerende radioregistraties van zijn verblijf op Rottumerplaat in 1971 (vorig jaar op cd verschenen) en zijn tekst voor het aanstaande Nationaal Dictee (die hij nog af heeft kunnen maken).

Als de vitaliteit in eigen persoon zullen we hem ons herinneren en herlezen. Want zoals Wolkers in het interview met Haasse zei: ‘De eeuwigheid is het ogenblik waarvan je zegt: dat zal ik nooit vergeten.’

Zie nrc.nl/boeken voor een dossier over Jan Wolkers, met stukken van Arnon Grunberg, Arnold Heumakers, Kester Freriks en de schrijver zelf.