Een lastig dilemma

Vroeger, toen niemand twijfelde aan hun kwaliteit, droegen ze de naam kweekschool. Dat vond men blijkbaar te kinderachtig klinken. Het werden pedagogische academies, en terwijl aldus de buitenkant werd opgepoetst werd de inhoud schromelijk verwaarloosd.

Met de regelmaat van de klok verschenen berichten in de media over de afnemende kwaliteit van de opleidingen, en altijd weer lieten de verantwoordelijke bewindslieden en de HBO-Raad als reactie daarop weten dat er stante pede maatregelen genomen zouden worden. Werkelijk gedaan is er al die tijd niets, tot vorig jaar een taal- en rekentoets werden ingevoerd, gebaseerd op de minimumeisen waaraan een pabo-student dient te voldoen.

De rekentoets wordt door alle opleidingen gehanteerd als norm om na het eerste jaar verder te mogen gaan. Anders ligt dat met de door het Cito opgestelde taaltoets. Het vereiste niveau dat daarbij wordt gehanteerd, is dat van havo 4. Slechts de helft van de studenten blijkt aan deze norm te voldoen. Voor de mbo’ers ligt dat percentage op 34, voor de havisten op 50 en voor de vwo’ers op 85. Dit is natuurlijk wonderlijk, want het betekent dat het taalvermogen van de aankomende pabo-studenten met havo of vwo in veel gevallen nog lager ligt dan je redelijkerwijs mag verwachten van een leerling uit 4 havo.

Zijn het dan uitsluitend de extreem taalzwakken die voor de pabo-opleiding kiezen? Ik kan me dat niet voorstellen. Ik vind het dan ook begrijpelijk dat die taaltoets niet wordt gehanteerd als voor iedereen verplicht selectie-instrument. Aan de andere kant moet er wel zoiets komen, want voor een leraar basisonderwijs is taal toch bepaald niet minder belangrijk dan rekenen.

Naar aanleiding van deze resultaten liet Doekle Terpstra, de voorzitter van de HBO-Raad, weten dat hij worstelde met een lastig dilemma: aan de ene kant voldeden studenten niet aan de eisen, aan de andere kant was er het lerarentekort. Daarmee wekte Terpstra de suggestie dat er verband zou bestaan tussen de afgenomen kwaliteit van de opleidingen en het maatschappelijke probleem van het lerarentekort. Het tegendeel is het geval.

De concessies die de pabo’s jarenlang hebben gedaan hadden een heel andere oorzaak. Toen in de jaren tachtig en negentig een enorme werkloosheid heerste onder leraren, hebben de pabo’s de lat steeds lager gelegd om studenten binnen te halen en ze op te leiden tot werkzoekende. Het ‘lastige dilemma’ was toen de keuze tussen eigen werkgelegenheid en kwaliteit. De hogescholen hebben daarbij steeds gekozen voor het eigen belang. Tot voor enkele jaren wisten hbo-studenten dat als ze hun opleiding te moeilijk vonden, ze altijd nog leraar konden worden.

De laatste tijd is er volop aandacht voor de kwaliteit van het onderwijs, en wonderlijk genoeg nu pas lijkt men te beseffen dat de kwaliteit van de leraar daar een cruciale rol in speelt. Het is verheugend dat er wat gedaan wordt aan het niveau van de opleidingen, maar zeker zo noodzakelijk is het werk te gaan maken van degenen die al leraar zijn. Die zijn vaak gebrekkig opgeleid.

Maar om daar iets aan te gaan doen moeten we eerst weten hòe gebrekkig, en daar hebben we geen idee van. In het onderwijs is namelijk zo’n beetje alles onderzocht wat er te onderzoeken valt, behalve één ding. Daar rust blijkbaar een levensgroot taboe op: beheerst de leraar zelf wel de stof die hij geacht wordt te doceren?

Laten we dat eens onderzoeken in plaats van te orakelen over vage en rekbare begrippen als ‘competenties’.

lgm.prick@worldonline.nl