Een boerderij voor de prijs van een Amsterdams slaapkamertje

De Hongaarse makelaar heeft tussen de bedrijven door Nederlands geleerd.

‘Waarom wil je een huis kopen in Hongarije?”, vraag ik aan mijn vriendin. „Waarom niet?”, reageert ze. Ze heeft met een makelaar afgesproken bij een MOL benzinestation langs een Hongaarse snelweg in het zuiden van het land. „Hij spreekt Duits”, zegt ze. De man van mijn vriendin, een Amerikaan, demonstreert meteen zijn kennis van die taal: „Ein! Zwei! Drei! Feuer!” De makelaar blijkt een zachtmoedige intellectueel te zijn, met een grijze krullenbos. We stappen over in zijn auto en hij rijdt ons naar een dorp in de heuvels waar hij een mooie boerderij in de aanbieding heeft. We bewonderen de romantische veranda, ondersteund door houten pilaren en begroeid met druivenranken. Vele hoge vertrekken lopen in elkaar over en er zijn stallen, schuren, maar liefst twee kelders, en een wijngaard waar de druiventrossen aan de takken hangen. Dat alles voor een prijs waar je in Amsterdam nog geen klein slaapkamertje voor kunt krijgen. „Maar een beetje dicht bij de weg”, zegt mijn vriendin. „En de tuin heeft geen ruim uitzicht.” De makelaar zucht. „Alle Nederlanders willen hetzelfde”, zegt hij. „Een vrijstaand huis met veel grond.” En de Hongaren bouwen hun huizen dicht naast elkaar. „Maar ik weet wel wat in een van de Duitse dorpen.” „Gerade Aus!”, roept de Amerikaan „Daar hebben veel Duitsers vakantiehuizen gekocht?”, informeert mijn vriendin voorzichtig. De makelaar zit alweer achter zijn stuur en terwijl hij door de heuvels stuurt, legt hij uit: „Na de Ottomaanse verovering was dit deel van Hongarije vrijwel ontvolkt, de Turken hadden iedereen afgeslacht. De Habsburgse keizers heroverde het gebied na verloop van tijd en moedigden Duitse boeren aan zich hier te vestigen. De Duitsers wonen hier al vanaf het begin van de achttiende eeuw.” De makelaar is zelf een afstammeling van zo’n familie. „Na de Tweede Wereldoorlog zijn veel Duitsers uit deze omgeving gevangen genomen en naar Siberië gestuurd.” Onder de communisten heerste het idee van de ‘Collectieve Schuld’. Het dorp dat we binnenrijden heeft twee namen: een Hongaarse en een Duitse. We worden rondgeleid door een oude vrouw die een boerderij heeft geërfd van haar zuster. Aan de wanden hangen zwart-wit bruidsfoto’s en een Maria portret, onze handen glijden over handgemaakte en oerdegelijke bedden en kasten. Het paardenleidsel aan de muur in de schuur en de houten wijnpers, lijken gisteren nog gebruikt. Hier heeft een arbeidzame familie gewoond, zoveel is duidelijk. De oude vrouw, die een moeilijk te volgen Duits dialect als moedertaal heeft, houdt nog steeds de moestuin bij. Ze zou het niet aan kunnen zien dat de boel verwilderde. „In dit dorp is alles sehr gepflegt”, werft de makelaar. De Amerikaan knikt onder de indruk, geen Duits commando komt meer over zijn lippen. „Wat vinden de mensen er hier van dat Nederlanders huizen in hun dorpen kopen?”, vraagt mijn vriendin. „Ze zijn blij met hun komst”, zegt de makelaar. „De lokale bevolking vergrijst, de jeugd trekt weg want er is hier geen werk meer.” De oude vrouw knikt, zo is het maar net. De jonge mensen, die overigens geen Duits meer onder elkaar spreken, wonen liever in de stad. Misschien denkt de makelaar dat we bang zijn te vereenzamen tussen al die Hongaarse Duitsers want als we een volgend dorp binnenrijden zegt hij: „Dat huis is van een Nederlandse schrijfster en dat daar van een Nederlandse filmmaakster.” De boerderij die daar tussen in te koop is, is eigendom van een vrouw met een drumstel in haar woonkamer. Waar gaat ze naartoe? „Eerst verkopen, dan bedenk ik wel wat”, zegt ze. De volgende dag rijden we mee met een andere makelaar, een jonge Nederlander die tot voor kort onroerend goed aan de man bracht in Spanje. Daar kwam de klad in en hij volgde zijn klanten naar Hongarije. De dag daarna stappen we in bij makelaar 3. Opnieuw een Hongaar, een jurist die tussen de bedrijven door ook Nederlands heeft geleerd. Zijn informatie is doorspekt met uitdrukkingen als „giga huis” en „een locatie van drie keer niks”. Aan het eind van de middag zet hij ons af bij een hotel waar we tot onze stomme verbazing makelaar 2 aantreffen. Hij is in gesprek met een zestal donkerharige heren. Roma-Hongaren vermoeden wij van een afstand, maar als we naderbij komen blijken het Nederlanders te zijn, afkomstig uit Afghanistan. De vrolijkste van het gezelschap, een joyeus geklede man van een jaar of dertig, vertelt over de objecten die ze met de jonge makelaar bezichtigd hebben. Hij heeft een boerderij gekocht. „Wat ga je daar mee doen?”, vraag ik. Hij haalt zijn schouders op. „Mijn familie en mijn vrienden vragen dat ook. Ik weet het niet, maar ik heb het toch maar gedaan.” „En jij?”, vraag ik mijn vriendin. Ze kijkt van de Afghaan naar de Amerikaan naar mij en knikt. „Ik doe het ook.” Ze verwijdert zich een paar stappen van ons gezelschap en toetst een nummer in. „Ik wil een bod doen op boerderij 320”, horen we haar zeggen.