De verkeerde recepten van het IMF

Het Internationaal Monetair Fonds adviseert ontwikkelings- landen zich open te stellen voor buitenlandse investeringen en te privatiseren. Maar dat leidt juist tot lagere groeicijfers.

Mark Weisbrot

Mededirecteur van het Center for Economic and Policy Research in Washington.

Ministers van Financiën, bankiers en zakenmensen komen dit weekeinde in Washington bijeen voor de jaarlijkse najaarsvergaderingen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank. Zoals gebruikelijk presenteert het IMF zijn analyse van de wereldeconomie.

Dit jaar zitten daar onderzoeksresultaten bij die gegarandeerd tot controverses zullen leiden en koren op de molen zullen vormen van critici van het Fonds. Het IMF heeft geconstateerd dat buitenlandse investeringen en technologie – maar niet handel – samenhangen met een toename van ongelijkheid in ontwikkelingslanden.

Dat is minder verrassend dan je zou denken. Wat het Fonds heeft gemist – wat het al een kwart eeuw zogenaamd niet ziet – is de diepgaande verandering in de wereldeconomie waarmee de economische hervormingen die het fonds bepleit, inclusief globalisering, gepaard zijn gegaan.

In de afgelopen 26 jaar is in de overgrote meerderheid van de lage- en middenlonenlanden de groei van het inkomen per hoofd sterk vertraagd. Zoals bij afnemende groeicijfers te verwachten viel, vertonen die landen ook veel minder vooruitgang op het punt van belangrijke sociale indicatoren, waaronder de levensverwachting en de zuigelingen- en kindersterfte.

Het IMF kan dit nu als ontdekking presenteren door het gebrek aan kennis van de economie en economische trends onder zijn publiek. De verdeling van de inkomensgroei is zeker een belangrijke factor voor het economisch en sociaal welzijn, maar als de inkomsten niet toenemen, valt er niets te verdelen.

In een land zo rijk als de Verenigde Staten kun je discussiëren over de vraag in hoeverre je armoede en werkloosheid kunt terugdringen en de kwaliteit van het bestaan kunt verhogen door middel van herverdeling en nieuw beleid als gezondheidszorg voor iedereen.

Maar voor de armste landen is productiviteitsgroei een kwestie van overleven. Voor zich ontwikkelende landen is groei noodzakelijk als zij hun bevoking onderwijs en gezondheidszorg willen bieden.

Vooral nu maatregelen tegen de wereldwijde klimaatverstoring terecht hoge prioriteit krijgen, wordt economische groei vaak meer beschouwd als een probleem dan als een oplossing.

Maar productiviteitsverhoging – en daar praten we eigenlijk over wanneer economen het hebben over groei van de lonen of van het bruto binnenlands product – is niet per se schadelijk voor het milieu.

Neem internet; dat heeft de productiviteit opgevoerd en tegelijkertijd door middel van telewerken en dalend papierverbruik de kans op milieuvriendelijke oplossingen vergroot. Op een fundamenteler niveau zijn veranderingen in techniek, organisatie en distributie – zoals landhervorming, de verschaffing van kredieten en zaad en andere technieken die arme boeren in staat stellen meer voedsel per hectare en per uur te produceren, evenmin noodzakelijkerwijs schadelijk voor het milieu.

En groei, niet herverdeling, is wat het IMF en zijn zusterinstellingen in het vooruitzicht hebben gesteld als hun beleid maar wordt gevolgd. Privatiseringen, het lukraak openstellen voor handels- en kapitaalstromen, restrictiever monetair en begrotingsbeleid en andere over het geheel genomen impopulaire hervormingen gaan in het algemeen gepaard met veel pijn en ‘creatieve vernietiging’. Maar het was allemaal bedoeld om de groei te laten toenemen.

Maar een doorsnee land in het middelste kwintiel van de mondiale inkomensverdeling (inkomen per hoofd van de bevolking tussen de 2.364 en 4.031 dollar in dollars van het jaar 2000) kon in 1960 verwachten dat zijn inkomen per persoon in twee decennia zou stijgen met 67 procent. Een land dat in 1980 in zo’n situatie verkeerde, kon in een even lange periode slechts een toename van 22 procent verwachten. Deze ernstige terugval van de groei heeft voor de meeste mensen in de betrokken landen veel grotere gevolgen gehad dan eventuele meetbare effecten van de globalisering op de ongelijkheid.

Een handjevol landen is in de periode van globalisering na 1980 wél sneller gegroeid, maar die landen – China, India, Vietnam – volgden niet het door het IMF voorgeschreven beleid.

Gelukkig hebben de meeste landen met hun voeten gestemd en hun verplichtingen aan het IMF afbetaald, zodat zij de adviezen van het fonds niet hoeven op te volgen. De leningenportefeuille van het IMF is geslonken van 105 miljard dollar in 2003 tot maar 17 miljard dollar op dit moment, en het merendeel daarvan staat uit bij Turkije en Pakistan. De meeste landen met middeninkomens hebben zich kunnen bevrijden, maar de armste landen blijven onder de voogdij van het fonds en zijn zusterinstanties. Ook die landen zullen, om hun ontwikkelingspotentieel waar te maken, onafhankelijker moeten zien te worden van het IMF.

© IHT