‘Als beeldhouwer beeld ik het leven uit’

Wolkers noemde zichzelf in de eerste plaats kunstenaar en dan pas schrijver. „Je moet de techniek beheersen”, vond hij. „Schrijven dat doet iedereen.”

Jan Wolkers in 1968 (Foto W.F. Hermans) Jan Wolkers in 1968 FOTO: WF Hermans Hermans, W.F.

„Ik werk nu aan het grootste doek dat ik ooit gemaakt heb”, zei Jan Wolkers toen ik hem een maand geleden interviewde. Hij ging me voor naar het atelier achter zijn huis op Texel, door de tuin. De zoete doordringende lucht van verse olieverf kwam je al tegemoet toen hij de deur opendeed. En daar op de ezel stond een enorm schilderij, zinderend oranje. Een vitaal doek, samengesteld uit panelen, waar hij nog bijna dagelijks toetsen oranje, rood en geel aan toevoegde.

Zijn typemachine, waar hij altijd op was blijven schrijven, stond ook in het atelier, naast de cassetterecorder met bandjes met klassieke muziek. Hij luisterde graag naar Mozart als hij schilderde.

Jan Wolkers is vooral bekend als schrijver, maar hij noemde zichzelf altijd in de eerste plaats beeldhouwer, dan schilder en dan pas schrijver. „Beeldhouwer is een speciaal beroep”, zei hij over die voorkeur. „Je hebt er een speciale opleiding voor gehad, je moet de techniek beheersen. Schrijven dat doet iedereen. Zeker nu de personal computer er is.” In een kranteninterview uit 1963 zei Wolkers over het verschil tussen zijn beeldende en literaire werk: „Het grondmotief van mijn werk is de angst voor de dood. Van mijn werk als schrijver tenminste. Als beeldhouwer beeld ik meer het leven uit. Als beeldhouwer doe je met de dood niet zoveel.”

Hij tekende als kind veel, en maakte ook poppetjes van klei, monstertjes, duiveltjes, die hij in de kachel bakte, en die zijn vader in de asla vond. ‘Ik heb weer een paar van die opstandige wezentjes van je tussen de sintels gevonden’, zei die dan, herinnerde Wolkers zich. Zo rond zijn vijftiende, in 1941, zat hij te tekenen, thuis in het ouderlijk huis in Oegstgeest, en er was heroïsche klassieke muziek op de radio. „Op dat moment werd ik me bewust: tekenen, dat is het.” Hij besloot toen kunstenaar te worden. Hij werkte overdag, en ging ’s avonds naar de tekenschool in Leiden. Toen hij werd opgeroepen om in Duitsland te werken, dook hij onder: hij wilde naar de Leidse schilder- en tekenacademie. Zijn eerste roman Kort Amerikaans, uit 1962, is geïnspireerd op die academiejaren.

Door financiële steun van een oom kon hij in 1945 naar de Haagse kunstacademie: „Omdat de schilderafdeling vol was, kon ik naar de afdeling beeldhouwen”, vertelde Wolkers. Beeldhouwen beviel hem en in 1949 kon hij als beeldhouwkunststudent naar de Rijksakademie in Amsterdam – zijn roman Turks fruit is op die studieperiode gebaseerd. Na zijn afstuderen in 1953 is Wolkers bij beroemde beeldhouwers kort in de leer geweest: in Salzburg bij Giacomo Manzù en in Parijs bij Ossip Zadkine.

Na zijn afstuderen in 1953 werkte Wolkers vooral realistisch: hij maakte een beeldje als monument voor de Watersnoodramp in Kruiningen van een vrouw die een verdronken kind onder haar jas houdt. Eind jaren vijftig, begin zestig werden zijn beelden abstracter. Hij begon ook reliëfs te maken, waaruit zijn liefde voor constructie en herhaling bleek. Omdat hij contact met leden van het Auschwitzcomité in Amsterdam had, werd hij in 1977 uitgenodigd het Auschwitzmonument te maken. Na een maand denken kwam hij met het idee voor het monument, zoals dat nu in het Wertheimpark in de hoofdstad ligt: grote, gebroken spiegels, die de hemel na de holocaust niet langer ongeschonden kunnen weerspiegelen.

Het Auschwitzmonument leidde ook een nieuwe fase in zijn beeldhouwwerk in: hij ging monumenten van glas en roestvrij staal maken, zoals De Berg van Licht in Almere en het Den Uyl-monument in Zaanstad. „Ik houd van eenvoud, van helderheid van licht”, zei Wolkers in een interview in deze krant. Dat geldt zeker ook voor de schilderijen die hij ging maken sinds hij in 1981 met zijn vrouw Karina van Amsterdam naar Texel verhuisde. Wolkers begon doeken te schilderen vol kleurige schildertoetsen, die haast monochroom lijken. Maar bij nadere beschouwing zijn het doeken vol verschillende lagen kleurtoetsen. Wolkers zei daarover: „De schilderijen die hier ontstaan, hebben te maken met de structuren van vegetatie in de duinen hier. Daarin heb je ook zo’n toetsachtige structuur, die ik ook schilder, met overheersende kleuren en daarin allerlei andere kleuren die er doorheen schemeren.”

Vorig jaar werd in de Zonnehof in Amersfoort een tentoonstelling gewijd aan Jan Wolkers als dubbeltalent. Over zijn schilderkunst, en zijn voorkeur voor helderheid en geometrische patronen zei hij in het boekje dat daarbij verscheen: „Hoe je het ook wendt of keert: ik ben toch een gereformeerde jongen uit het land van Mondriaan en Rietveld. Als ’s avonds de sterren komen – die kan je hier op Texel nog heel goed zien – dan zie je de geometrie daarin. Die geometrie zit ook in onszelf. We komen eruit voort en verdwijnen er weer in.”

En Rudi Fuchs, oud-museumdirecteur en kunsthistoricus schreef in het Zonnehof-boekje over Wolkers schilderkunst: „Wie de tijd neemt om de schilderijen te bekijken ziet, denk ik, dat hun oppervlak rilt of verschrompelt en dat er kleuren kruipen en ritselen als regen of flapperen en borrelen.”

Zo is het zeker met dat laatste, grote oranje schilderij waaraan Wolkers werkte – tot zijn dood.