Allergie van Prick

Een verschil tussen een columnist en een wetenschapper is dat de eerstgenoemde iets mag beweren, terwijl de laatstgenoemde het moet bewijzen. Daarom zijn mijn uitspraken in mijn boekje ‘Ruggengraat van ongelijkheid’ geen vanzelfsprekendheden, zoals Leo Prick (W&O, 13 oktober) stelt, maar door empirisch onderzoek gestaafde uitkomsten. En die zijn minder vanzelfsprekend dan Prick meent. Zijn drie voorbeelden van die ‘vanzelfsprekendheden’ laten dit zien.

De negatieve effecten van echtscheiding voor kinderen werden tot voor kort door velen (bijvoorbeeld Anja Meulenbelt) gebagatelliseerd tot onbelangrijke korte termijn-effecten. Andere opiniemakers meenden dat het ‘soort huwt soort’ zou verdwijnen bij de opkomst van moderne relaties (bijvoorbeeld de vroegere Gezinsraad). En op de arbeidsmarkt zouden diploma’s onbelangrijk zijn geworden omdat het voortaan om competenties zou gaan (diverse adviescommissies in de jaren tachtig en negentig). Maar empirisch onderzoek heeft laten zien dat deze populaire opvattingen in strijd zijn met de werkelijkheid.

De allergie waaraan Prick lijdt is een beroepskwaal van deze columnist. De kwaliteit van het bewijs is voor hem onbelangrijk, want hij hoeft niets te bewijzen. Hypothesen van wetenschappers lijken voor hem alleen maar vanzelfsprekendheden, totdat uit onderzoek het tegendeel blijkt. Dan heeft deze columnist die tegengestelde waarheid ook al altijd aangehangen en vindt hem even vanzelfsprekend.

Fiesole, Italië