Van hoekers, haringbuizen en vervening

Van aalvisserij tot zeezeilen – twee watergeschiedenissen van Nederland behandelen alle aspecten van onze relatie met water. Maar zeggen ze ook iets over hoe het water onze volksaard heeft bepaald?

Eelco Beukers (red.): Hollanders en het water. Twintig eeuwen strijd en profijt. Verloren. Twee delen, 608 blz, set: € 39,–

Wilfried ten Brinke: Land in zee. De watergeschiedenis van Nederland. Veen Magazines, 384 blz. €39,95

In een biografische schets van de Franse historicus Fernand Braudel citeerde H.L.Wesseling ooit met instemming de eerste zin van diens meesterwerk over de Middellandse Zee. Die zin luidde: ‘J’ai passionément aimé la Méditerrannée’.

Was een variant op zo’n ontboezeming niet een mooi motto geweest voor de verzameling opstellen waarin ‘twintig eeuwen strijd en profijt’ werden geïnventariseerd onder de titel Hollanders en het water?

De Zuiderzee voor de paling, de Noordzee voor het strand, de grote oceanen voor de koopvaart, en dan nog al die binnenwateren voor botter, aak of rubberboot – zeeën en wateren in overvloed, en de Hollander heeft er door de jaren heen in een gepassioneerde haat-liefdeverhouding mee geleefd. Het aardige aan de in twee banden verschenen watergeschiedenis is ook dat de aandacht niet exclusief is gericht op de ‘eeuwige rampen’ die in alle gewesten werden gevreesd zodra men de stem van het water had gehoord. Marsman was van vóór de Deltawerken.

In Hollanders en het water slaat de balans tussen strijd en profijt meestal ook door naar de zegeningen; we wonen tenslotte in een land waarvan de aanstaande koning in z’n vrije tijd aan watermanagement doet. Dat je het water kunt drinken en als remedie tegen allerlei ongerief kunt gebruiken, dat het kan dienen als recreatieruimte, dat het doelmatige en relatief goedkope verbindingswegen oplevert, dat je er in kunt vissen en dat je er lang geleden voor vijanden zelfs achter kon wegschuilen – dat weegt allemaal ook rijkelijk op tegen de ongemakken die intussen trouwens redelijk beheersbaar zijn geworden.

En toch: niemand van de zeventien bij dit boek betrokken auteurs is zijn bijdrage begonnen met de bekentenis dat hij altijd hartstochtelijk van deze zee of gene plas heeft gehouden. Ook eindredacteur Eelco Beukers, die het Hollandse watergebied in een inleiding ‘een lastig landschap vol beloften’ noemt, hield zich op de vlakte, evenals de schrijver van het slotessay dat zonder merkbare empathie ‘verscheidene draden uit het boek samen neemt’

Gebrek aan passie? Dat ook waarschijnlijk. Maar minstens zo belangrijk is natuurlijk het onderscheid tussen iemand als Braudel die z’n halve leven in z’n eentje aan dat ene magnum opus heeft gewerkt, en een groep deelspecialisten dank zij wie binnen een paar jaar alle facetten van het wateronderwerp tot een boek konden worden gebundeld. Dat maakt, ook kwalitatief, het verschil uit tussen Lieux de mémoire van die ene Pierre Nora, en Plaatsen van herinnering waarvoor veertig of vijftig medewerkers, vier deelredacteuren en één hoofdredacteur moesten worden gerekruteerd. De historiografie kent zeker in Nederland nauwelijks nog grote eenlingen die het zich van de eerste tot de laatste zin van hun werk kunnen veroorloven te schrijven als een echte auteur.

De volledigheid heeft er in Hollanders en het water niet onder geleden, integendeel. Een mens kan weinig dingen over water verzinnen die niet in een van de dertien grote hoofdstukken die het boek telt aan bod zijn gekomen. De eerste dijkjesbouwers, het ontstaan van locale waterschappen, de inpolderingsfasen, de binnenscheepvaart, de zoetwater- en zeevisserij, de problemen van de overbevissing en de quotaregelingen, de drinkwatervoorzieningen door de eeuwen heen, het water als aanvals- en verdedigingswapen in voorbije oorlogen, vijfhonderd jaar spelevaren, tot en met de dagjes aan het strand - de checklist is uitputtend afgewerkt.

Alle opstellen behelzen veel wetenswaardigs, maar je moet natuurlijk wel een beetje willen meevoelen met verveningsprocessen, met oude gemalen en met angst voor ‘de waterwolf’. wil het boeiende lectuur blijven. Veel schrijvers staan met hun grote kennis van zaken nogal eens tussen het onderwerp en de lezer in – strenge weters, strenge schoolmeesters. De schoolsheid overheerst. Wat dat betreft lijkt de nieuwe uitgave op de Geschiedenis van Holland dat vijf jaar geleden in vier delen werd samengesteld onder (mede)redactie van dezelfde Eelco Beukers. Ook daar werd veel beleerd, ook daar ontbrak het vaak aan verbeeldingsruimte, aan adem.

Het leerzame hoofdstuk over de Hollandse zeevisserij (met de vrolijke titel ‘Van aal tot zeewier’) concludeert bijvoorbeeld dat het zwaartepunt van de Nederlandse haringvangst zich al vóór de Opstand van Vlaanderen naar Holland had verplaatst. ‘De Frans-Habsburgse oorlogen hebben hierin een belangrijk aandeel gehad’, wordt daar droogjes aan toegevoegd. Maar waarom dan? En hoe precies? Dat horen we verder niet.

‘De introductie van haringbuis en hoeker, nieuwe vistechnieken en het aan boord kaken en tonnen van haring en kabeljauw’, vervolgt auteur Louis Sicking zijn verhaal wel erg insiderig, ‘heeft schaalvergroting mogelijk gemaakt en een klasse van kapitaalkrachtige kooplieden-reders doen ontstaan.’

Daar openen zich dan meteen economische en sociaalculturele vergezichten die de nieuwsgierigheid prikkelen – net als even verderop, in deze observatie: ‘De zeevisserij had verstrekkende gevolgen voor de man-vrouwverhouding in de vissersgemeenschappen. Vrouwen speelden er een essentiële rol in de productie en reparatie van netten en lijnen, en vulden het onzekere gezinsinkomen aan’.

En desondanks meelijwekkende Kniertjes gebleven?

Dat bedoel ik met de betrekkelijke ‘kortademigheid’ van zulke opstellen. Dat vistechnische nieuwigheden maatschappelijke veranderingen teweeg konden brengen wordt terloops aangestipt, maar zelden of nooit uitgewerkt – zelden of nooit in een groter verband gezien of gebracht, De geschiedmethode van de ‘longue durée’ waarmee Braudel beroemd werd, bracht als vanzelf met zich mee dat hij steeds hartstochtelijker van de Middellandse Zee kon gaan houden. Hoe meer sociaalhistorische, culturele, hydrotechnische, recreatieve en medicinale facetten van het water je immers tegenkomt, des te groter je geboeidheid voor de geschiedenis van de mensen die er in de loop der eeuwen mee te maken hebben gehad.

Mensen en hun sociale omgevingen komen te weinig voor in dit boek, dat niettemin het water én de Hollanders als onderwerp belooft.

Zou dat euvel ook te maken kunnen hebben met de nadrukkelijke regionaliteit die men (provinciale sponsors tenslotte) in acht wilde nemen? Maar dat was in dit geval eigenlijk nog onbezonnener dan in Geschiedenis van Holland. Een gewest kun je historisch nog ‘isoleren’, maar het IJsselmeer dat toch ook langs Friesland klotst, of de Noordzee die met haring en al via de Atlantische Oceaan nota bene tot Amerika reikt? Om – binnenslands blijvend – nog maar te zwijgen over de grenzeloosheid van het oude onderscheid tussen ’zeeprovincies’ en ‘landprovincies’ waarmee het humeurenconflict tussen de Amsterdammer Multatuli en de Zwollenaar Thorbecke wordt verklaard, en dat nog een factor van groot belang zou worden in het ‘Rampjaar’ (1672) toen Michiel de Ruyter buitengaats wel overeind bleef, maar bijna heel Nederland door Franse soldaten werd overlopen omdat de Hollander Jan de Witt het leger had laten verwaarlozen ten gunste van de marine. Nog een geluk dat toen op het nippertje de Waterlinie volliep.

Veel wat in Hollanders en het water aan de orde komt roept associaties op met grote stukken geschiedenis. Dat is een verdienste. Maar zou het niet nog verdienstelijker zijn geweest als de schrijvers juist ook de associaties als thema hadden gekozen?

Eindredacteur Beukers zal – net als in de Geschiedenis van Holland – een groot aandeel hebben gehad in de onvolprezen keuze van illustraties die als tweede informatielaag extra van waarde worden door voortreffelijke bijschriften. Hetzelfde systeem van tekst, veel kaarten, veel foto’s en een op visualiteit gerichte lay-out is toegepast in Land in zee, dat ‘de watergeschiedenis van Nederland’ als ondertitel meedraagt. Het boek is geschreven door Wilfried ten Brinke, die lang adviseur bij Rijkswaterstaat is geweest. Het lijkt in alles wat het te berde brengt sprekend op Hollanders en het water – het heeft, nog los van de meer chronologische opzet, alleen een wat vertellender of zo men wil populairder karakter. Op de vraag of hier met wat meer armslag naar zoiets als een ‘sociologie’ van het water is gestreefd, moet het antwoord ontkennend luiden.

Over de aard van het koninkrijk waar eerder een Bureau voor den Waterstaat bestond dan een koning, wordt in geen van beide boeken een verlossende uitspraak gedaan. Zijn we als Hollanders en Nederlanders nou wel of niet tot letterlijk en overdrachtelijk polderen overgegaan omdat we anders allang zouden zijn verdronken?

Ik zou het nog steeds niet durven zeggen.