Toets voor vastberadenheid van G7

Aan de vooravond van de top van zeven grootste industrielanden test de valutahandel hoe ver hij mag gaan met het omlaagspeculeren van de Amerikaanse dollar.

Hank Paulson, de Amerikaanse minister van Financiën, zal het dit weekeinde zeker zeggen: een sterke dollar is in het belang van de Verenigde Staten. Maar hoeveel betekent deze mantra nog, die in de jaren negentig werd bedacht door zijn voorganger Robert Rubin en Larry Summers?

De Amerikaanse dollar bereikte gisteren een nieuw diepterecord tegenover de euro, op 1,4310 dollar per euro. Directe aanleiding was woensdag het nieuws dat de nieuwbouw van woningen in de VS met ruim 10 procent is gedaald tot het laagste niveau sinds 1993. Dat veroorzaakte speculaties over een verdere officiële renteverlaging in de VS, waar de centrale bank vorige maand haar tarieven al met een forse 0,5 procentpunt verlaagde tot 4,75 procent. Een lagere rente maakt dollars op korte termijn onaantrekkelijk.

Maar er is meer aan de hand. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gaf eergisteren bij monde van chef-econoom Simon Johnson impliciet zijn zege aan de daling van de dollar. Het IMF had een gestage koersval verwacht en kenschetst de Amerikaanse munt als ‘overgewaardeerd’. Het reuzentekort op de Amerikaanse betalingsbalans, dat in 2006 een record bereikte van 6,2 procent van het bruto binnenlands product, loopt volgens het IMF maar mondjesmaat terug tot 5,5 procent volgend jaar. Dat is nog steeds 788 miljard dollar. Het buitenland moet zo’n 3 miljard dollar per werkdag in de VS pompen en dat gaat steeds lastiger. In augustus bleken er per saldo voor bijna 70 miljard dollar Amerikaanse effecten te zijn verkocht. Dat betekent dat de externe financiering van het tekort steeds meer plaatsvindt in de vorm van kortlopend krediet, in plaats van investeringen of beleggingen. Dit geld heeft de vervelende eigenschap dat het ook heel snel kan verdwijnen.

Tot dusver heeft de daling van de dollar een redelijk ordelijk karakter. Maar het risico bestaat dat er een vlucht uit de munt komt, die de koers in korte tijd ver onderuithaalt. In dat geval zullen de autoriteiten handelend moeten optreden, en is internationale samenwerking cruciaal. Daarom is de ontmoeting van de ministers van Financiën en centralebankiers van de zeven grootste industrielanden (G7) vanavond in Washington cruciaal. De markt wil zekerheid over de vastberadenheid van de G7. Het omlaagspeculeren van de dollar aan de vooravond van de bijeenkomst heeft dan ook het karakter van een test.

De meeste economen op de financiële markten verwachten weinig tot geen verandering in het communiqué van de G7, dat gewoontegetrouw zal oproepen tot flexibeler wisselkoersen. Die oproep is impliciet gericht aan China, dat zijn munt vrijwel constant houdt tegenover de dollar, ondanks een in naam flexibel wisselkoersbeleid. Zal de G7 ditmaal verder gaan, en ook de dollar noemen? Die kans is klein, want er is weinig eensgezindheid binnen de groep.

Japan, dat zich voor zijn economisch herstel afhankelijk waant van de export, voert in de praktijk een beleid dat gericht is op een zwakke yen. Canada klaagt juist omdat zijn dollar fors is gestegen tegenover de grote Amerikaanse broer en het voor driekwart van zijn export aangewezen is op de VS. En terwijl de euro de zwaarste last draagt van de dollardaling, zijn de eurolanden zeker niet eensgezind. De Duitse minister van Financiën Steinbrück heeft zich gematigd uitgelaten over de steeds hardere euro, terwijl zijn Franse collega Lagarde de afgelopen maanden al meermalen opriep tot koersinterventies. Lagarde wordt daarin gesteund door Italië, dat eveneens lid is van de G7.

En de VS? Minister Paulson stond in zijn vorige leven als topman van zakenbank Goldman Sachs op het standpunt dat een dollardaling de enige manier is om het enorme Amerikaanse tekort op de handels- en betalingsbalans recht te trekken. Als bewindsman kan hij dat niet meer zeggen, maar de valutamarkt weet wel beter. De ‘welwillende verwaarlozing’ waarmee de regering-Clinton in 1995 een destijds zwakke dollar aan zijn lot overliet, ligt bovendien nog vers in het geheugen.

Het zou opmerkelijk zijn als de G7 tot een nieuw gemeenschappelijk standpunt zou komen. Dat is alleen mogelijk als de daling van de dollar door iedereen te onstuimig wordt bevonden. Niets nieuws zeggen betekent wel een risico: stilzwijgen van de G7 kan maandag door de valutahandel worden opgevat als een license to kill.

Breaking views: pagina 14