Student: nutteloos onderzoek is nodig

Investeringen in nutteloos onderzoek lonen de moeite.

Ambitieuze, jonge mensen kunnen zich zo ontwikkelen en echt de diepte in gaan, in plaats van zich te verbreden.

Ik probeer van melkachtige materialen lasers te maken. Een ontzettend interessant onderzoeksgebied, waar ik als afstudeerstudent met mazzel ben ingerold. Op feestjes en reünies mag ik er dan ook graag over praten. Maar hoe ik ook begin, hoe ik ook eindig, ik krijg altijd grofweg de volgende reactie: „Natuurkunde had ik eigenlijk stiekem ook wel willen doen, maar dat onderzoek van jou – wat kunnen we daar nou mee?”

Zodra deze vraag gesteld wordt, verander ik subiet van onderwerp: film, of het filantropische flirtgedrag van een mijn vrienden. Ik verval nog liever in quasifilosofisch geblaat dan te moeten verdedigen waarom mijn onderzoek relevant is voor de samenleving. Dat is het namelijk niet. Op de korte termijn is wetenschappelijk onderzoek dat bijna nooit.

Natuurlijk, bij het zoeken naar een middel tegen aids of bij modelvorming van files is er een direct maatschappelijk nut. Heel nobel onderzoek dat vaak tot uitvindingen leidt. Maar net zo vaak streelt wetenschappelijk onderzoek vooral de geest van de direct betrokkenen. Daar zijn heel wat Nobelprijzen en Fields Medals voor vergeven. Sterker nog, de Nederlandse overheid pompt miljoenen in de egoïstische knutselprojectjes van ’s lands slimste jongetjes van de klas. De vraag van de gemiddelde Nederlandse burger wat we met al dat onderzoek kunnen, lijkt dan ook meer dan gerechtvaardigd. Niet-relevant onderzoek verdient geen geld.

Toch dient de samenleving in nutteloos baanbrekend wetenschappelijk onderzoek te blijven investeren, omdat het ambitieuze jonge mensen de kans geeft om zich te ontwikkelen en te verdiepen in de kennis die de mensheid met heel veel moeite bij elkaar heeft gesprokkeld.

Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek moet niet gefinancierd worden vanuit de motivatie dat er binnen een paar jaar economisch vruchtbare ideeën uit ontstaan. Onderzoek moet gestimuleerd worden vanwege zijn intrinsieke schoonheid en als onderdeel van de moderne beschaving. Economische winst komt vanzelf wel.

Dat lijken politici en bestuurders van deze resultaatgerichte tijd maar moeilijk te accepteren. Kennis moet tegenwoordig zo snel mogelijk ‘gevaloriseerd’ worden, waarmee gesuggereerd wordt dat de nieuwe kennis an sich nog geen waarde heeft.

Onbewust straalt een dergelijke, denigrerende houding tegenover natuurwetenschappelijk onderzoek ook af op de huidige generatie Nederlandse studenten. Tijdens hun studie spenderen ze liever veel tijd aan extra-curriculaire activiteiten, waar ze ‘organisatiecompetenties’ opdoen, dan aan het uitdiepen van hun vakgebied. Studie is bijzaak. Studenten hebben, vaak terecht, het gevoel meer uitgedaagd te worden buiten de collegezalen. De oorspronkelijk gekozen studie wordt over de jaren een moetje. Daar wordt het niet interessanter van.

Na de universiteit kiezen talentvolle studenten voor een ‘flitsende’ carrière in het bedrijfsleven, waar ze eindigen als strategieconsultant of communicatieadviseur. Beroepen waarin gewaardeerd wordt dat je het ook allemaal niet precies weet en waarin je vaak oppervlakkig dient te blijven.

In een wanhopige poging om studenten te behouden voor het academische leven kopiëren de Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs inmiddels driftig en zonder schaamte successen uit het Angelsaksische onderwijssysteem. Utrecht en Maastricht hebben ‘liberal arts colleges’, Amsterdam en Tilburg volgen binnenkort. Daarnaast biedt een tiental universiteiten studenten de mogelijkheid om ‘honours-programma’s’ te volgen, initiatieven die er op gericht zijn brede academici te vormen. En er ontstaat een wildgroei van geïnstitutionaliseerde aantekeningen bovenop het normale doctorandus-, meester-, masters- of ingenieursdiploma.

Meestal hebben deze extra aantekeningen niks te maken met de oorspronkelijke studie. Dat is jammer want het zou juist goed zijn als studenten ook gemotiveerd worden om in hun eigen studie te excelleren. Om eens werkelijk de diepte in te gaan. Universiteiten zouden bijvoorbeeld extra stageplaatsen op laboratoria aan kunnen bieden aan goede jongerejaars studenten. Pas als dat gebeurt, kun je spreken van de ontwikkeling van Nederlandse topuniversiteiten. Het traditionele gekrakeel om ‘Harvards in Nederland’ van rectores magnifici bij de openingen van het academisch jaar krijgt dan pas betekenis.

Als spannend onderzoek een grotere rol inneemt in het bachelor-onderwijs, wordt het doen van een promotie een logischer stap, die meer afgestudeerden zullen waarderen. Kunnen we het tijdens borrels eens echt over mijn onderzoek hebben.

Ramy El-Dardiry (1985) is student technische natuurkunde aan de Universiteit Twente. Dit is een licht ingekorte versie van een stuk dat eerder in NRC Handelsblad verscheen.