Stenen schoonheden

Max van Rooy: Het verhaal van de architectuur. Prometheus, 455 blz € 49,95

Max van Rooy: Het verhaal van de architectuur. Prometheus, 455 blz € 49,95

Het gebeurt niet vaak dat een dik boek over architectuur verschijnt waarin het beeld ondergeschikt is aan het woord. Het verhaal van de architectuur van Max van Rooy, een bundel van eerder in deze krant verschenen artikelen, valt in die categorie. Wellicht daarom is de omslagfoto zo goed gekozen: een klassieker uit 1959 waarop de Amsterdamse wethouder G. van ’t Hull staat terwijl hij een zwaan in de Sloterplas loslaat ter viering van de eerste hoogbouw in de Westelijke Tuinsteden. Architectuur speelt een bescheiden rol op deze foto. Het rijtje woonblokken bevindt zich precies tussen de handen van de wethouder in; de bovenste hand van de wethouder hangt vrij in de lucht en roept de Schepping van Adam uit de Sixtijnse kapel in herinnering, terwijl aan de stand van de onderste hand duidelijk te zien is dat een onwillige watervogel zich niet eenvoudig laat sturen. De scheppende hand symboliseert adequaat de maakbaarheid van de Nederlandse samenleving, het wederopbouwparadigma bij uitstek; de andere hand laat, geaccentueerd door de schuimende golven, zien hoe lastig dat is.

Bovenstaande interpretatie komt niet zomaar ergens vandaan. In zijn nawoord maakt Max van Rooy, kleinzoon van bouwmeester H. P. Berlage, duidelijk waar het hem als architectuurbeschrijver om gaat. Niet alleen noemt hij zichzelf geen criticus maar ‘schrijver over architectuur voor een niet-gespecialiseerd publiek’. Ook maakt hij duidelijk dat het hem vooral te doen is om de kunst in de architectuur. Hij citeert architect Alvaro Siza, die ooit een lezing in het Amsterdamse Paradiso begon met de stelling ‘architecture is art’. ‘Niet alle architectuur is kunst’, schrijft Van Rooy vervolgens verzachtend, maar, zo stelt hij direct daarna, de architectuur waar hij van houdt en dus over schrijft, is dat wel.

Het verheffen van de eigen smaak tot goede smaak is in het algemeen een uitnodiging voor de buitenwacht om eens flink van leer te trekken. In het geval van Van Rooy is dat onterecht. Hij schrijft zeer persoonlijk, en schaamt zich er niet voor zijn emoties kenbaar te maken. Van Rooy zoekt de schoonheid in een gebouw, en heeft het daarbij over poëzie, mysterie, of muziek. Hij neemt de lezer bij de hand en maakt hem keer op keer deelgenoot van zijn hoogstpersoonlijke architectuurervaringen. Van Rooy is meermalen onnodig lang van stof (een beschrijving van de Kunsthal in Rotterdam gaat bijvoorbeeld voor de helft over Indonesië). De feiten kloppen ook niet allemaal, en dat is zonde. Toch zal een deel van het ‘niet-gespecialiseerde publiek’ behoefte hebben aan een auteur als Max van Rooy. Geen jargon, maar een persoonlijke blik. Geen bombardement van wetenschappelijke kennis, maar beschrijvingen van eigen ervaringen. Dat nodigt lezers uit om zelf eens wat beter te kijken.