Paleolitische fotovondsten

Joke Pronk en Tineke de Ruiter (samenst.): Fotovoorkeuren. Voetnoot, 220 blz. €20,–

Fotovoorkeuren is een koele titel voor een afscheidsboek. Wie afscheid neemt is Ingeborg Th. Leijerzaph, na 35 jaar conservator te zijn geweest van Het Prentenkabinet in Leiden. Ze heet nu ‘de spil in fotografisch Nederland’ en die verdienste wordt onderstreept met een bundel van vijftig teksten over steeds één foto uit de belangrijkste fotocollectie in Nederland. En dat is die van Het Prentenkabinet, dat al in 1952 foto’s ging verzamelen, toen menig museummens daar nog zijn neus voor op trok. Leijerzaph is debet aan de voortvarendheid waarmee Het Prentenkabinet de collectie beheerde, uitbreidde en de Nederlandse fotografie-geschiedenis in kaart bracht.

Oud-medewerkers, fotografen en collega's van Leijerzaph, hebben zich in Fotovoorkeuren grondig gekweten van hun taak: elk facet van de Leidse collectie komt aan bod, van bijna vergane ‘cartes de visite’ tot digitale kunstfoto's, zoals die van Winnifred Limburg die graag voor god speelt door landschappen te stofferen met ruïnes, heuvels of watervallen die hij met zijn camera ergens op de wereld op de kop tikte.

De scribenten doen vooral aan kennisoverdracht, door te graven naar de herkomst van een foto, de levensloop van een fotograaf of naar een vergeten fototechniek. Bij dat speurwerk kunnen eigenaardige lieden opduiken, zoals de Amsterdamse boekverkoper Maurits Muller Massis (1891-1992) die op rommelmarkten duizenden, nu kostbare, paleolithische fotovondsten deed. Hij schonk alles aan Het Prentenkabinet, omdat hij ‘dacht dat ’t wel cultureel was om de boel bij mekaar te houden’.

Een enkele auteur bleef liever dicht bij huis, onder wie Joost Elffers, zoon van fotografe Emmy Andriesse. Als jongetje van zes keek hij toe hoe zijn moeder op het strand een vriendin met de klassieke proporties van een kariatide ruggelings vastlegde. Dat moet indruk hebben gemaakt, want hij weet het nu nog sfeervol na te vertellen. En fotokenner Han Schoonhoven memoreert fotograaf Philip Mechanicus (1936-2005) die zijn eigen leeftijd in de titel van een vroeg zelfportret (1962) steeds opschoof tot het ‘als honderdjarige’ heette.

De enige scribent die voor een kritische invalshoek koos, is Mattie Boom, conservator fotografie in het Rijksmuseum in Amsterdam. Verhalen dreigen ‘een makkelijke invulling van de fotografiegeschiedenis te worden’, schrijft ze. De aandacht voor het roerende verhaal gaan ten koste van ‘de inhoud van een beeld [dat] onlosmakelijk verbonden is met vorm, functie en context’. Ze onderbouwt die bewering met reisalbums uit 1902 van drie Amsterdamse amateur-fotografen die per stoomschip naar New York voeren en in de VS de ene kiek na de ander maakten. Onderzoek wijst uit dat die albums helemaal geen reissouvenirs waren, maar dienst deden als werkboek voor een lezing in lichtbeelden. Lantaarnplaatjes dus, gemaakt naar de negatieven van de drie heren.

In haar pleidooi voor ‘vorm, functie en context’ vindt Boom ongetwijfeld een geestverwant in Ingeborg Leijerzaph. Niet voor niets getuigen ook bijna alle andere teksten van know-how, en van de behoefte om wat er in het sporenonderzoek naar boven wordt gehaald helder en nauwkeurig voor het voetlicht te brengen. Aan die attitude heeft Leijerzaph, zonder zich steeds naar de voorgrond te ellebogen, decennia lang veel bijgedragen.

Rectificatie / Gerectificeerd

Fotovoorkeur

In de bespreking van het boek Fotovoorkeuren (Boeken, 19.10.2007) is de naam van de voormalige conservator van het Leids Prentenkabinet verkeerd gespeld. Het moet zijn: Ingborg Th. Leijerzapf.