Op rituelen volgt de moraal, en het kan ook omgekeerd

Herman Vuijsje: Tot hier heeft de Heer ons geholpen. Contact, 271 blz. € 24,90

Herman Vuijsje is al driekwart op weg in Tot hier heeft de Heer geholpen, zijn zojuist verschenen boek ‘over godsbeelden en goed gedrag’, wanneer hij Sinterklaas ter sprake brengt. Niet om het geloof in de goedheiligman te vergelijken met dat in God, zoals in discussies over het bestaan van die laatste nogal eens gebeurt. Vuijsje is het te doen om de morele betekenis van Sinterklaas. Hij vergelijkt hem dan ook niet met God maar met de Kerstman – dat ‘futloze en geestloze wezen met walgelijk geinponum’, zoals Nicolaas Matsier hem ooit omschreef.

Ook bij Vuijsje komt de Kerstman er niet goed vanaf. Bij hem is alles lol en ho-ho-ho, terwijl de Sint juist een vermanende functie heeft. Toegegeven: er zit een beetje de klad in die bemijterde strengheid en Vuijsje betreurt dat. Eén ding is voor hem echter wel duidelijk. De godsdienst is die klassieke taak van morele opvoeding en vermaan steeds meer gaan verzaken. En het ‘ietsisme’ dat daarvoor in de plaats is gekomen heeft zich al helemáál overgegeven aan een feelgood-religiositeit waarin geen onvertogen woord meer valt.

Dat is zorgelijk, omdat de religie er van oudsher voor gezorgd heeft dat mensen zich jegens elkaar enigszins behoorlijk gedragen, aldus Vuijsje. Wanneer die ‘morele motor’ wegvalt, is het maar de vraag of de maatschappij daar op den duur niet ernstig onder gaat lijden. De vraag naar de religie is dus de vraag naar de toekomst van de samenleving – en om die te beantwoorden probeert Vuijsje te achterhalen wat er in de afgelopen halve eeuw met de godsdienst is gebeurd . Het boek dat daarvan het resultaat is, leest vlot en prettig weg, al staat Vuijsjes melige humor soms haaks op zijn voornemen de religie volkomen serieus te nemen.

De inzichten die hij formuleert zijn echter interessant genoeg. Al in bijbelse tijden werd God langzaam van een absolutistische tiran ‘opgevoed’ tot humaniteit, zo schrijft hij. En omgekeerd werd ook de mens door deze humane God tot steeds vriendelijker wederzijdse omgangsvormen gedreven. Dat proces lijkt inmiddels te zijn voltooid. Het monotheïsme, aldus Vuijsje, blijkt een tussenfase geweest te zijn tussen het polytheïsme van de barse stammengoden en een ‘ietsisme’ op de rand tussen pantheïsme en humanisme.

In de laatste hoofdstukken van zijn boek onderzoekt Vuijsje hoe zo’n geseculariseerde moraal eruit zou kunnen zien. Belangeloze hulpvaardigheid is daarvan de kern, zo concludeert hij. Als voorbeeld wijst hij op de orgaandonoren die wereldwijd – nog voordat zij zelf overlijden – de levens redden van mensen die ze nooit hebben gezien. Daarin komt de religieuze deugd, in haar opdracht goed te doen ‘om niet’, pas werkelijk tot haar voltooiing. Zonder God of hemel is de deugd haar eigen beloning geworden – in plaats van een voorschot te zijn op een in het hiernamaals te incasseren geluk, waardoor gelovigen zich volgens Vuijsje vroeger lieten leiden.

Dat is waarschijnlijk een schromelijke onderschatting van de religieuze onbaatzuchtigheid door de eeuwen heen. Maar ernstiger is dat Vuijsje met zijn stichtelijk einde zijn oorspronkelijke bezorgdheid helemaal uit het oog verloren heeft. Met de vraag hoe een seculiere moraal eruit zou kunnen zien is nog niets gezegd over de vraag of die in een ontgoddelijkte wereld wel door voldoende mensen kan worden opgebracht. De vrees die de christen-socialist Banning ruim een halve eeuw geleden uitsprak: dat het humanistische ideaal voor de meeste mensen eenvoudigweg te ‘aristocratisch’ was, wordt er – ondanks al het goede werk van anonieme nier-, merg- en bloeddonoren – niet door weggenomen.

Daarmee is het spook van de (christelijke) godsdienst – door Nietzsche al ‘platonisme voor het volk’ genoemd – dus weer levensgroot terug. Want is het eigenlijk wel waar dat de moraal haar core business is, zoals Vuijsje stellig beweert? Zeker, hij kan daarbij steunen op joodse en nieuwtestamentische stemmen, die in de gouden regel (‘Heb de ander lief als jezelf’) de bondigst mogelijke samenvatting van de Wet en de Profeten zien. Maar daarbij laat hij zich te eenzijdig door de theologie verleiden. Wat de kerkelijke dogmatiek en zedenleer zeggen, is de hele religie nog niet. Sterker: de religieuze werkelijkheid trekt zich van leerstellingen en inhoud over het algemeen hoogstens oppervlakkig iets aan. Ze heeft een eigen dynamiek en wie haar wil begrijpen, kan zich niet beperken tot de religieuze ideeën, met het excuus dat de rest maar verpakking of zelfs ‘poespas’ is.

Vuijsje is zich wel van die idealistische valkuil bewust. Hij wijdt een mooi hoofdstuk aan godsdienstige rituelen – inclusief de bedevaartsgang naar Santiago die hij ooit zelf in omgekeerde richting aflegde. Wat daarin zoveel indruk maakte, was niet de theologische betekenis van die tocht (bezoek aan het graf van de apostel, vergeving van de zonde), maar de ervaring van het afleggen van de reis. Op dezelfde manier vertoont de godsdienst zich in de religieuze praktijk voor de gelovige allereerst als een handeling – en niet als de set geloofswaarheden die zowel godsdienstcritici als religieuze hoogwaardigheidsbekleders (in merkwaardige eensgezindheid overigens) graag door hem beaamd zouden zien.

Misschien doet hij dat laatste wel – en behoedt hij zich daarmee voor de religieuze ‘belevings’-cultus die Vuijsje terecht in het hedendaagse ‘ietsisme’ bekritiseert. Maar veel minder belangrijk dan dat is voor de gelovige het besef dat hij is opgenomen in een gemeenschap die hem een plaats biedt in een ongewisse wereld. Juist in de religieus zo levendige Verenigde Staten lijkt belonging belangrijker dan believing, zo contateert Vuijsje. Ten onrechte wil hij daar niets van weten, omdat hij met een nogal protestants rechtzinnigheidsgevoel, geloof en moraal voor de godsdienst passender lijkt te achten dan de banale gewoonte.

Toch zou de godsdienst wel eens vooral op de golven van het laatste kunnen terugkomen. Niet omdat plotseling de Heidelbergse of Roomse Catechismus opnieuw omarmd worden, maar omdat de godsdienstige rituelen worden herontdekt – en het geloof daar misschien zo’n beetje achteraan sjokt.

We kunnen naar de overtuigingen van vroeger niet meer terug, schrijft Vuijsje. Misschien is dat zo, al moet men zich de geschiedenis niet rechtlijniger voorstellen dan ze is. Maar vooral moet men in de godsdienstige praktijk de overtuiging niet een grotere plaats toekennen dan ze verdient. Wie wil geloven moet eerst maar eens tien keer een kruisje slaan met wijwater, aldus Pascal, die warempel geen religieuze flierefluiter was. De handeling en de gewoonte zijn belangrijker dan de idee – de begeestering en de moraal komen daarna al doende wel. De voorbeelden daarvan zijn zelfs in dit boek niet ver te zoeken. Ook Vuijsje gelooft nog altijd in de Sint.