Ontheemde prinsen uit Afrika

Nog voor Arthur Japin zijn tragische verhaal over twee Afrikaanse prinsen schreef, droomde hij al van een opera. Die is er nu.

Uit de hemel van de schouwburg dalen boomstammen neer waartussen goudkleurig licht valt. De bomen verbeelden de Goudkust van West-Afrika waar twee prinsen, Kwasi en Kwame, zich gelukkig voelen. Dit is hun geboorteland, hun thuis. Een van de prinsen, Kwame, is zelfs de kroonprins. Het is 1837.

Dan overvalt het noodlot hen: afgezanten van de Nederlandse koning Willem I sturen de kinderen als geschenk naar Nederland. Daar krijgen ze scholing, ze moeten ‘vernederlandsen’. Dit historisch verhaal ligt ten grondslag aan de roman De zwarte met het witte hart uit 1997 van Arthur Japin.

Decorontwerper Gerrit Timmers en regisseur Mirjam Koen wisten meteen na verschijning dat het boek ‘een opera moest worden’. Het toeval wil dat de auteur zelf, die een achtergrond in het theater heeft, daar zelf ook aan dacht voordat hij aan de roman begon. „Toen ik kennis nam van de historie over de jonge prinsen was mijn eerste gedachte: het is opera,” zegt Arthur Japin. „De levens van Kwasi en Kwame vormen een noodlotsdrama met zulke heftige gevoelens, dat die alleen in opera geloofwaardig zouden zijn”.

De artistieke leiding van het Onafhankelijk Toneel stelde de naam van de Britse componist Jonathan Dove voor. Zijn muziek is nooit per se vernieuwend, eerder melodisch en toegankelijk. Hij sluit aan bij de muzikale traditie van bijvoorbeeld Leonard Bernstein. Japin schreef zelf het libretto: „Een bevrijdende ervaring. Ik moest me tot de essentie beperken. Eigenlijk is de roman een lang gedicht.”

Nu, tien jaar later, gaat de roman als de opera Kwasi en Kwame in première. De muziek is er, het decor staat, de cast van zangers is rond, de verhaallijn geschreven. In de oude theaterzaal van het gezelschap in het Rotterdamse Lloyd Kwartier komen alle bouwstenen samen. Dit proces heet ‘matchen’, zoals regisseur Koen toelicht: „Eerst denken wij de regie en het decor uit. Onafhankelijk daarvan vinden de muziekrepetities plaats. Daarna moet alles samengevoegd worden. Het gaat over de spanning tussen blank en donker, ontworteling en integratie. In het leidmotief maakt Dove een onderscheid tussen zwarte en witte toetsen van de piano. In de partituur van Kwasi, die zich aanpast aan Nederland, wordt de klankkleur steeds ‘witter’; Kwame daarentegen zingt steeds donkerder”.

Dirigent Wim Steinmann van het ensemble Domestica Rotterdam begon anderhalf jaar geleden, in samenwerking met Timmers en Koen, aan audities. Leden van het Rotterdams Jongenskoor zijn uitgekozen, aangevuld met meisjes. „De grote moeilijkheid was het vinden van donkere jongens die kunnen acteren en in het Engels zingen”, zegt Steinmann. Uiteindelijk vonden ze via diverse agentschappen in Engeland vier jongens, van wie er twee in de opera optreden en twee achter de hand blijven om in te vallen als een van hen plots ziek wordt. De jongens, Mitchell Zhangazha als Kwasi en Nathan Musoki als Kwame, volgen in Londen een theateropleiding.

Tijdens de repetitie is dat te merken. Al zijn de beide Britse jongens en de jonge zangers en zangeressen van het Rotterdamse koor in dagelijkse kleding gehuld, het drama van het donkere tweetal in een vreemde omgeving schuilt al in de scènes. Het koor vormt een krachtige eenheid met al die blanke, Hollandse kinderen. De dirigent weet hen op te stuwen, niet meteen natuurlijk, maar noot na herhaalde noot. Een meisje in wit shirt en paarse broek gaat helemaal op in de muziek: als de slagwerkers op gong en buisklokkenspel slaan, dan imiteert zij vol enthousiasme hun bewegingen.

Kwasi en Kwame staan terzijde van het koor. Hier komen we tot de kern van de opera: de ontheemding van de Afrikaanse prinsen. Het beeld roept herkenning op. Het is net als op het schoolplein van vroeger: hoorde je wel of niet bij de groep? Ben je vreemdeling of niet? Misplaced of geaccepteerd? De Britse jongens hebben aanvankelijk iets schuchters over zich, maar gaandeweg de muziekrepetitie krijgen ze meer overwicht, alsof ze zich bewust zijn van hun bijzondere signatuur in het geheel. Kwasi toont de trots van deze unieke positie. Kwame laat de tragiek zien.

Arthur Japin zegt over die oerscène van zijn roman: „In mijn jeugd stond ik vaak voor wat ik nu de ‘Kwasi en Kwame’-keus noem. Elke dag moest ik opnieuw mijn standpunt bepalen ten opzichte van de groep. De ene keer voel je je sterk, de andere keer minder sterk en denk je: laat ik vandaag maar niet opvallen om er zonder kleerscheuren en klappen vanaf te komen”. Japin raakte ontroerd toen hij voor het eerst zinnen uit De zwarte met het witte hart gezongen terughoorde. Japins dilemma vormt de dramatische leidraad van de opera: Kwasi is de prins die zich aanpast aan Nederland en steeds meer een West-Europeaan wordt. Kwame daarentegen is niet tot integratie in staat; hij keert terug naar Afrika waar hij zelfmoord pleegt. Hij vindt het verschrikkelijk een blanke te worden ‘met een zwarte schaduw, een donkere met een witte zielenschim’, zoals Japin het prachtig verwoordt in de roman.

Ontwerper Gerrit Timmers toont mij zijn partituur, volgekriebeld met notities en tekeningen. Timmers: „Ik gebruik geen decorwisselingen maar laat het decor verglijden. De vertrouwde boomstammen uit het begin verdwijnen opeens, tot verbazing van de Afrikaanse jongens. Het is of hun wereld wegvliegt. Dan komt uit de lucht het uurwerk van de Grote Kerk van Delft omlaag. Het klokkenspel slaat en klinkt doordringend. Ze staan in een andere wereld. Dat maakt hen angstig, en nieuwsgierig.”

‘Kwasi & Kwame – De zwarte met het witte hart’, door Opera Onafhankelijk Toneel en Domestica Rotterdam. Muziek: Jonathan Dove. Libretto: Arthur Japin. Première: 26/10 Rotterdamse Schouwburg. Tournee t/m 27/5. Inl.: www.ot-rotterdam.nl; 010-4780281