‘Nog te vroeg om te investeren’

Topman Jan Bout van ingenieursbureau Haskoning bracht een bezoek aan Afghanistan. „Wat voor ons een kleine moeite is, betekent voor de Afghanen veel.”

Een delegatie van het Nederlandse bedrijfsleven bracht deze week een bezoek aan Afghanistan. Werkgeversvoorzitters Bernard Wientjes (VNO-NCW), Elco Brinkman (Bouwend Nederland) en Jan Kamminga (FME-CWM) keken welke rol het Nederlandse bedrijfsleven kan spelen bij de economische ontwikkeling van Afghanistan. Namens ingenieursbureau Royal Haskoning, onder andere gespecialiseerd in waterbeheer, was bestuursvoorzitter Jan Bout aanwezig.

Wat deed u in Afghanistan?

„Wij hebben veel ervaring met infrastructuurprojecten in Azië en Afrika en willen die expertise graag overdragen. De reis was een initiatief van het ministerie van Defensie. Zij nemen het militaire deel voor hun rekening, maar economische ontwikkeling is ook noodzakelijk voor de stabiliteit en veiligheid in de regio. Je moet vrij snel actie ondernemen. Als je niets doet, blijft papaverteelt het enige alternatief voor de bevolking.”

Wat stond er op het programma?

„We zijn maandag geland in Kabul en vervolgens naar Kamp Holland gegaan. De basis hebben we niet verlaten wegens de veiligheidssituatie. We hebben op de basis gesproken met bestuurders van de agrarische sector en gouverneur Hamdam. Terug in Kabul hebben we met het Afghaanse ministerie van Export en met Duitse experts gesproken. Dinsdag hebben we met vertegenwoordigers van de EU, de Wereldbank, het Afghaanse ministerie van Landbouw en parlementariërs gepraat. Ook hebben we lokale ondernemers bezocht.”

Is er sprake van economische ontwikkeling in Afghanistan?

„De situatie op het gebied van veiligheid en economie is heel erg slecht. Iedereen die zegt dat de situatie daar in 2 à 3 jaar kan worden opgelost, onderschat het probleem. Het duurt minimaal 10 jaar. Het is een dunbevolkt land, met een laag ontwikkelingsniveau en beperkte middelen. 85 procent van de bevolking werkt in de landbouw. Maar als je ter plekke ervaart wat er gebeurt, word je wel optimistisch. Nederland bouwt er scholen op, legt waterputten aan en investeert in de gezondheidszorg. Ook in de economische sector zijn positieve ontwikkelingen. Zo is de banksector in opkomst. Philips en Coca-Cola zijn er ook actief. Het is nog kleinschalig, maar als je de ruimte geeft, zijn er wel degelijk mogelijkheden. Er valt wel iets van te maken.”

Welke rol ziet u weggelegd voor het Nederlandse bedrijfsleven?

„Met een beperkte inzet vanuit Nederland kun je veel betekenen voor de mensen daar. Wat voor ons een kleine moeite is, betekent voor de Afghanen veel. Afghanistan heeft net zoals Nederland veel mogelijkheden op het gebied van de landbouwexport. De saffraanhandel kan bij een goede oogst een goed alternatief zijn voor papaverteelt, evenals gedroogd fruit. Voor het Nederlandse bedrijfsleven is het nu nog te vroeg om te investeren. Je moet eerst helpen bij de ontwikkeling van de handel en export. Komende tijd gaan we met het Nederlandse bedrijfsleven zaken in gang zetten. Zo hebben we plannen om op Kamp Holland een trainingscentrum voor Afghaanse boeren te beginnen.”

Wanneer gaan de eerste ingenieurs van Haskoning naar Afghanistan?

„De verwachting is dat Nederlandse IDEA-reservisten plaatselijke ondernemers in Uruzgan gaan ondersteunen. We gaan kijken of reservisten die bij ons werken kunnen adviseren over waterbeheer. Verder is het nog allemaal erg prematuur. Wel kan Haskoning op het gebied van waterbeheer, milieu en transport het nodige betekenen. Daarin hebben we veel expertise. Zo helpen onze ingenieurs nog steeds in Bosnië en Servië mee met de wederopbouw van de infrastructuur. Maar laat ik vooropstellen: ik ben niet in Afghanistan geweest om te verkopen, maar om de economische te ontwikkeling te zien.”