Net zo komisch als De Gouden Kooi

In ‘Het dorp Stepantsjikovo’ haalt Dostojevski zijn humor uit ontmaskering. De asociale impulsen van de mens krijgen ruim baan.

Wat je humor noemt – in Het dorp Stepantsjikovo is leven bekvechten en liefde berekening. In het Het dorp Stepantsjikovo gaan de meest verheven argumenten gepaard met de allerlaagste motieven. In dit afschuwelijke dorp rust ieder begrip op een misverstand, wordt oprechtheid genadeloos afgestraft. In deze vroege roman zou de schrijver van Misdaad en Straf en de Broers Karamazov zich van zijn lichte kant laten zien, de mild-komische geest van Gogol en Dickens zou zich meester van zijn personages hebben gemaakt. Mij deed de roman vooral denken aan De Gouden Kooi.

Want de personages van Dostojevski hebben het treiteren tot levenskunst verheven. Ze slijmen en konkelen, zijn boos of verontwaardigd, ze gillen en schreeuwen – niemand kan iets zeggen of er moet een uitroepteken achter. Zelfs de oom van de jonge verteller, die het onbegrijpende middelpunt vormt van deze hysterische kermis van ijdelheden, laat zich steeds weer verleiden tot aanvallen van blinde euforie en ontsteltenis. Deze mensen ontmoeten elkaar niet op weidse vlakten of ruime kamers, zoals personages in een negentiende-eeuwse roman betaamt – ze bespringen, betrappen, achtervolgen elkaar. Iedereen valt met de deur in huis.

Komisch? In een traditionele komedie wint de harmonie het van de chaos, vinden de personages elkaar in een besef van hun eigen dwaasheid, zodat ze elkaar kunnen vergeven – we zijn tenslotte allemaal maar mensen. Ze verzoenen zich, trouwen elkaar, leven rustig verder. In deze roman wordt aan het einde ook getrouwd, maar blijft ieder wezenlijk besef achterwege. Een hele nare familie raakt in de greep van een rancuneuze opportunist, die de boel genadeloos naar zijn hand zet en zijn frustraties botviert op zijn omgeving. Wanneer hij daarin uiteindelijk te ver gaat en zelfs zijn meest willige slachtoffer tegen hem in opstand komt – oom Jegor schopt hem eindelijk het huis uit, nadat hij zijn kersverse verloofde een hoer heeft genoemd – vindt een perverse catharsis plaats. De indringer, Foma, keert gewoon weer terug, past zich uit berekening aan aan de veranderde omstandigheden en zet zijn schrikbewind voort met andere, schijnheilige middelen. Dit is geen komedie waarin de personages de ogen geopend worden. Integendeel, tot op de laatste bladzijden knijpen ze ze stevig dicht.

De schrijver Nabokov – met Karel van het Reve in zijn kielzog – beweerde dat in de romans van Dostojevski geen normaal mens voorkomt, het zijn stuk voor stuk neuroten of erger. Murw van het gekijf en geschreeuw van de mannen en vrouwen die het dorp Stepantsjikovo bevolken ben je geneigd het met hem eens te zijn – zo doen mensen niet.

O nee? Waarom zijn ze dan toch zo herkenbaar, die hysterische mannen en vrouwen die zich zo ongeremd overleveren aan Dostojevksi’s existentiële slapstick? Als ze wezenlijk anders zouden zijn dan wij, dan zouden ze ons volkomen onberoerd laten. Maar ze laten ons niet onberoerd, ze bezorgen ons een ongemakkelijk gevoel. Is dit om te lachen? vraag je je af, wanneer er een bevend kind vernederd wordt of een krakkemikkige bejaarde zijn laatste restje zelfrespect wordt afgenomen. Ja, zegt Dostojevski, dit is om te lachen, want zo zijn wij. Kijk maar om je heen.

Dat er in de romans van Dostojevski geen normaal mens rondloopt, is een gevaarlijk cliché – want de schrijver gaat er juist vanuit dat er geen normale mensen zijn. Hij doet niets anders dan zijn personages binnenste buiten keren; wat normaal verborgen blijft, voor de buitenwereld en voor ons zelf, trekt hij onverbiddelijk naar voren, het volle daglicht in. De traditionele roman plaatst mensen in hun sociale omgeving, beschrijft onderlinge relaties. Wat Dostojevski doet is laten zien hoe asociaal we in wezen zijn. Die asociale impulsen, de doorgaans verborgen onhebbelijkheden, onze neuroses, de misselijke emoties die we weigeren bij onszelf te erkennen, krijgen bij hem ruim baan.

Neem die snotlap. Op bladzijde 67 van Het dorp Stepantsjikovo komt de aan lager wal geraakte ex-militair de kamer binnen, waar de emoties natuurlijk weer hoog opgelopen zijn. Hij ziet er bijzonder sjofel uit. ,,Hij had een katoenen geruite volgesnoten zakdoek in zijn hand, waarmee hij zich het zweet van voorhoofd en slapen wiste.’’ Dit is humor, maar het is geen Dickensiaanse humor. Welke 19de-eeuwse schrijver haalt zijn grappigheid uit het wegvallen van decorum, uit de alledaagse vuiligheid in onze hoofden en onze broekzakken? In zijn grote romans bewegen Dostojevski’s personages zich tussen afgrond en hemel. In Het dorp Stepantsjikovo gaat het over kleine gevoelens die we het liefst wegmoffelen voor de buitenwereld, als een zakdoek met gedroogd snot. Dostojevski trekt die naar buiten en zwaait ermee voor onze ogen.

Het is het soort herkenning waar we niet op zitten te wachten. De lezer van deze hilarische komedie overkomt hetzelfde als de jonge verteller: „Wel wel, want een verzameling zonderlingen! Alsof ze met opzet zo bij elkaar zijn gezocht!’’ dacht ik in stilte zonder nog goed de portée te begrijpen van alles wat zich voor mijn ogen had afgespeeld en evenmin vermoedend, dat ook ikzelf, door mij in hun midden te vertonen, klaarblijkelijk niets anders was geworden dan een aanwinst voor die collectie zonderlingen.’’