Michael Boogerd heeft wel een koud biertje verdiend

Michael Boogerd moest door een blessure zijn wielercarrière twee dagen eerder beëindigen dan gepland. Maar ook zonder een laatste Ronde van Lombardije kan hij trots terugkijken op veertien profseizoenen.

Michael Boogerd zegeviert in de Amstel Gold Race van 1999. Foto Cor Vos Amstel Goldrace, foto Cor Vos ©1999 Michael Boogerd, direct na de finish. Vos, Cor

Maarten Scholten

Tussen het geluid van ratelende helikopters, toeterende volgauto’s en schreeuwende toeschouwers hoort Michael Boogerd iemand een blikje koud bier opentrekken. Tssjjk. Hallucineert de koploper die hete juli-middag op de flanken van de Alpencol naar La Plagne, tijdens het slot van de zestiende etappe van de Tour de France 2002?

Nog geen twintig minuten later komt Boogerd na een solo juichend over de finish. De geboren Hagenaar maakt waar wat hij als jochie droomde in de Scheveningse duinen: hij wint een zware bergrit in de Tour. „Voor mij was toen mijn carrière af”, vertelt hij in zijn biografie Boogie, die op 21 november verschijnt.

Gisteren volgde het definitieve einde voor het 35-jarige boegbeeld van het Nederlandse wielrennen, twee dagen eerder dan gepland. Vorige week blesseerde Boogerd bij een val tijdens de training zijn linkerknie. Een bijkomende infectie en een ziekenhuisopname zorgden ervoor dat hij morgen niet kan starten in de Ronde van Lombardije. In de klassieker had hij afscheid willen nemen na veertien seizoenen als prof.

Naast La Plagne behaalde Boogerd nóg een memorabele ritzege in de Tour, bij zijn debuut in 1996, in Aix-les-Bains. Hij won de Amstel Gold Race, Parijs-Nice, Catalaanse Week (twee keer), Brabantse Pijl (twee keer), drie nationale titels, Milano-Vignola, Giro dell’ Emilia en een lange reeks ritten in meerdaagse koersen. In de grote klassiekers eindigde hij 33 keer in de top-tien, waarvan veertien keer op het erepodium. Voor zijn beste eindklasseringen in de Ronde van Frankrijk hoeft hij zich evenmin te schamen: vijfde (1998), tiende (2001), twaalfde (2002 en 2007).

Tijdens de ultieme kilometers van zijn carrière, vlak na het al dan niet gedroomde blikje bier op La Plagne, voelt Boogerd de krachten in zijn lichaam terugkeren. In de slotkilometer denkt hij aan de kleine groep mensen die dichtbij hem staan. Zijn ouders, zijn broer en zijn vrouw.

Zij weten hoe het ooit begon met een wielerquizje in bed bij zijn ouders. De eerste koers in Houten op 1 juni 1980 (zesde en hevig teleurgesteld). Het vertrouwen van zijn vader („blijf aanvallen jongen”), zijn zeer getalenteerde broer als idool. De dag dat hij, veertien jaar, besloot om zijn hele leven in het teken te stellen van wielrennen. Altijd meer doen dan een ander, dat werd zijn recept.

De bondscoaches Egon van Kessel (junioren) en Piet Kuijs (amateurs) stoomden hem klaar voor de profs. In de ploeg van Jan Raas vielen de eerste twee jaar hem bar tegen. Spanjaarden en Italianen schoten hem in de bergen, zijn favoriete terrein, links en rechts voorbij. ‘Patatgeneratie’, luidde het oordeel over de jonge Nederlandse renners.

Tot in 1996 Rabobank kwam als sponsor. Ploegarts en trainer Geert Leinders bracht lijn in Boogerd’s profcarrière. Het fanatisme van de Deense kopman Rolf Sörensen deed de rest. In de jaren die volgden, bestormde hij de wereldtop. „Boogerd was in 1999 de beste renner ter wereld”, zei Lance Armstrong, die dat jaar zijn eerste Tourzege had behaald.

Altijd bleef Boogerd onzeker. „Ik heb een strotje staan”, was zijn bekende uitspraak over zogenaamd opkomende keelpijn in de aanloop naar een belangrijke wedstrijd. Mike denkt dat hij iets mankeert dus zit het wel goed, wist zijn naaste omgeving in zulke gevallen. „Mijn twijfel is mijn kracht”, concludeerde hij dan zelf.

Maar het succes kende een keerzijde. Lange tijd was hij als enige Nederlandse renner in staat om een hoofdrol te spelen in grote wedstrijden. Met alle druk vandien. De dramatische Tour van 1999, waarin de ploeg vertrouwensman Leinders op het laatste moment thuis liet uit angst voor de Franse dopingjagers, liet diepe sporen na. Zijn grenzeloze gedrevenheid leidde tot fysieke en mentale problemen in de jaren daarna.

Voordat hij in de glorieuze slotkilometer op La Plagne aan zijn familie denkt, schiet er nog iets anders door zijn hoofd. „Nu heb ik alle journalisten tuk.” Hoe bewonderd zijn critici nu ook zijn, Boogerd zal niet gauw vergeten hoe hij jaren werd miskend. Hij heette te nerveus, een eeuwige tweede (net als wereldkampioen en Tourwinnaar Joop Zoetemelk), zou tactische fouten maken en reed zogenaamd veel te onstuimig. Ereplaatsen werden hem aangerekend als nederlaag.

Zelf ziet hij het anders. Als je niet beschikt over een eindsprint, moet je wel aanvallen. En helaas miste hij in de eigen ploeg vaak de onvoorwaardelijke steun, die hij zijn ploeggenoten in voorkomende gevallen wel gaf. Als hij zichzelf iets kan verwijten, is het dat hij nooit hard genoeg met de vuist op tafel heeft geslagen om het kopmanschap op te eisen.

Maar dan nog. In veel wedstrijden heeft hij kunnen doen waarvan hij als jochie droomde: aanvallen, beslissend zijn voor het koersverloop, uitblinken op de zwaarste momenten. Als ouderwetse liefhebber koerste hij elk jaar van Mallorca in februari tot Lombardije in oktober. Het leverde hem mooie zeges op en nog veel meer ereplaatsen. Hij bepaalde ruim tien jaar lang het gezicht van het Nederlands wielrennen.

Michael Boogerd heeft wel een koud biertje verdiend.