Malle hippies bedankt!

De musical ‘Hair’ wordt voor het eerst in het Nederlands uitgevoerd. Regisseur Marcus Azzini stelt de vraag wat de wereld heeft gehad aan de idealen en provocaties van de hippies.

Breiende meisjes op het podium. Met van die grote blankhouten breipennen. Actrice Jelka van Houten is bezig met een klein wollen zakje. Sokjes voor de verse baby van de regisseur? Nee, ze maakt voor de hele cast van de musical Hair zakjes waarin de spelers de zender van hun draadloze microfoons kunnen stoppen. Van Houtens breilust heeft twee medespelers aangestoken: zangeres Jeannine la Rose en Idols-zangeres Dewi. Net als alle breiers voor beginners, gaan zij eerst eindeloos rechtdoor naar beneden: een sjaal.

De actrices breien ook door tijdens de voorstelling – zo bleek bij een oefenvoorstelling vorige week in Oss – als zij even niet hoeven te zingen en te dansen. Ze moeten toch zichtbaar op het podium blijven, en zo hebben ze wat te doen. Bovendien kan de oplettende kijker er allerlei tekens in zien: een verwijzing naar de bewust gecultiveerde onschuld en de doe-het-zelf-mentaliteit van de hippies bijvoorbeeld, en hun hang naar ‘natuurlijke’ producten. Maar ook een verwijzing naar het treurige feit dat het feministisch ideaal dat in het hippiepakket was opgenomen, in praktijk niets voorstelde. De mannelijke revolutionairen zagen de vrouwen liever koffie zetten, voor de kinderen zorgen en koken. En breien.

Staat de maan voorbij het zesde huis, en Jupiter in lijn met Mars, dan is het weer tijd voor de musical Hair. Dit keer helemaal in het Nederlands. Schrijver Ronald Giphart en lieddichter Jan Rot maakten een nieuwe Nederlandse bewerking. In de cast allemaal verse bloemenkinderen van wie zelfs de ouders hoogstens láte hippies waren. Hair gaat morgen in Breda première, precies veertig jaar en drie dagen na de opening van de oer-Hair in New York.

In 1967 was Hair een scandaleus succes, met ongekende provocaties: God lasteren, blote mensen, vieze woorden, de Amerikaanse vlag verbranden, een lijst racistische scheldwoorden, en het verheerlijking van drugs, ongebreidelde seks en interraciale relaties. Achter die evidente provocaties zit ook een ideologie die menigeen tegen de haren instreek: de musical ageert niet alleen tegen de oorlog in Vietnam, maar wil de hele bestaande orde en moraal opblazen. Het leven moet meer kleur en plezier krijgen. Genot en liefde en vrije keuzes moeten weer centraal komen te staan.

In de veertig jaar na de première bleef Hair met succes de wereld rondreizen, en deed ook geregeld Nederland aan. Snel raakte de musical echter zijn wilde haren kwijt. De hippies werden curiosa, de geringe dramatische inhoud van Hair kwam steeds meer aan het licht, de provocaties raakten uitgewerkt, de boodschap ging verloren. De inhoud verdampte, de vorm bleef staan: een fantastische show met veel groepsdans en funky rockhits als The Flesh Failures (Let the Sunshine In), Aquarius, Good Morning Starshine, Ain’t Got no, I Got Life.

Daar wil regisseur Marcus Azzini wat aan doen. Azzini is een avant-garde-regisseur die in kleine zalen experimenteert met extreme vormen. Op de toneelschool maakte hij reeds een voorstelling met „tatsächlig ficken auf die Bühne”, zoals dat in de aanpalende Rosse Buurt heet, waar hij zijn acteurs rekruteerde. Maar hij maakte ook twee MTV-toneelstukken voor een groot en jong publiek: Tape en Sexual Perversity. Dat maakt hem geknipt voor de taak om de populaire vorm van Hair met zijn verjaarde inhoud te herenigen. Zijn centrale vraag is: wat hebben we hier eigenlijk aan gehad? Uitwerking en antwoord zijn daarbij aan de toeschouwers. Hair blijft een impressionistische show met weinig ruimte voor bespiegeling.

Azzini kan wel onze blik sturen. Dat doet hij door te beginnen met een zelfbedachte proloog. Op drie grote schermen zijn gefilmde interviews te zien met een stel Nederlandse ex-hippies, onder wie de protestzanger Armand, bekend van de hit Ben ik te min (1966). Armand is nog steeds overtuigd hippie, de anderen kijken met wat meer afstand naar hun jeugd. Ze praten ook over de keerzijde van het hippiedom: de onmogelijkheid van een communeleven bijvoorbeeld. Ze zijn ook niet blind voor de modieuze en opportunistische kanten van de seksuele revolutie. Armand: „Als je geen bloem in je haar had, wilde geen chick je neuken.”

Azzini zet vraagtekens bij de uitwassen van de seksuele revolutie. Tijdens het eten, tussen repetitie en try out in Oss, zegt Azzini: „Daar is niet veel moois van overgebleven. Het heeft seks en liefde losgekoppeld, en heeft ervoor gezorgd dat we niets meer voelen. Vrije liefde zonder jaloezie bestaat überhaupt niet, en is daarom onmogelijk.” In de musical wordt dat getoond in een scène waarin de vrolijke hippie Burger jaloers is omdat hij zijn liefje Sheila moet delen met Kloot Bukowski (in Gipharts vertaling het type „ruwe bolster, blanke pik”). Dat Burger zelf met ongeveer iedereen slaapt, vindt hij een andere zaak.

De videoportretten van de oude hippies werken als een soort pictures of Dorian Gray. Terwijl op het podium levende bloemenkinderen jong en bloedmooi ronddansen, zie je op de videoschermen hun verleden én toekomst: de oude koppen getekend door verval, teleurstelling, mislukking. Des te treuriger omdat de hippies de belofte van de eeuwige jeugd in zich droegen – nog zijn er bejaarden die rondlopen in spijkerbroeken en op gymschoenen.

„Hope I die before I get old”, schreeuwde The Who – en met hen de sixties-generatie. Op muren werd geschreven: „Live fast/ die young/ leave a beautiful body.” Want, zei Neil Young: „It’s better to burn out than to fade away.” Boven de dertig was je een oude lul, een burgertrut, hoe dan ook een treurig geval, niet meer serieus te nemen. In de muziek en de mode werd de jongerensmaak dé smaak, de jeugd – dansen, drank, drugs en wisselende contacten – moest tot het uiterste opgerekt worden. Meer nog dan met die ‘seksualisering van de maatschappij’ worstelen we nog met die cultus van de eeuwige jeugd. Want, laten we wel wezen, steeds meer mensen zijn óuder dan dertig, en voelen zich daar ten onrechte ongelukkig over. In de loop der jaren is het einde van de jeugd daarom stilzwijgend verschoven van dertig naar veertig jaar, maar een echte oplossing is dat niet.

Terwijl de hippies op het Brabantse podium na de pauze verdwalen in een bad trip denk ik aan de woorden van Oskar Eustis, de Amerikaanse regisseur die vorige maand de jubileumshow van Hair in het New Yorkse Central Park bracht: „Ze falen. Maar in hun falen schilderen zij de mogelijk van een wereld waarin ze wel zouden kunnen slagen. Hair is een tragedie die ons in vreugde achterlaat, omdat hij hoop wekt. De hele stam, overtuigd van de noodzaak van een andere wereld, maar niet in staat om te formuleren hoe die geschapen moet worden, blijft achter met als enig credo de verwerping van deze wereld. Een noodzakelijk maar ontoereikend protest. Wat dat betreft staan ze niet ver van ons af.”

Hebben de hippies gefaald? De dageraad van Aquarius bracht ons geen vrede, liefde en harmonie. Dat is de hippies niet gelukt. En aan de ontspoorde jeugdcultus zijn nog wel meer uitwassen toe te voegen. Maar Nederland is dankzij de sixties-generatie wel degelijk onherkenbaar én ten goede veranderd. De sixties-generatie heeft Nederland leefbaarder, losser, vrolijker, feestelijker gemaakt. Dus malle hippies: dank jullie wel.

Azzini wil er geen aflevering van Andere tijden van maken, de musical moet ook over nu gaan. Dus leggen de acteurs in terzijdes uit wat die hippietijd ook alweer was. Een van de jongens zegt tegen de meisjes: „Wist je dat jouw ouders vroeger met alle ouders uit de buurt feestjes hielden en dat alle mannen dan hun voordeursleutels in een bak deden en dat alle vrouwen daar dan blind eentje van uit graaiden en met de bijbehorende man mee naar huis gingen? Dat heeft jouw moeder ook nog gedaan.” Vervolgens laat hij een rinkelende doos met sleutels de zaal rondgaan, met de belofte dat de bezoekers na de voorstelling van partner mogen ruilen. Het publiek in Oss geeft de doos braaf door, maar niemand doet zijn sleutel erbij.

In de aankleding wordt er wel naar de hippiestijl gehint, maar dan meer op de moderne retro-manier. Het gevecht tussen toen en nu zie je terug in de publiciteitsfoto van de cast: allemaal topless, maar geen blote borst te zien. Kritisch blogger Wim de Bie noemde de foto op zijn website Bieslog een typisch voorbeeld van „Nieuw Preuts”: „Dat is nog een hele toer: veertien blote mensen zo op de foto zetten dat niemand er aanstoot aan kan nemen.”

Preuts? Ik denk eerder dat de esthetiek is veranderd. Het hippiebloot was provocerend bedoeld. Het stond voor ontwapenende onschuld, voor opnieuw geboren worden, voor puur natuur. Die tijd is voorbij: nu is bloot zo grondig geschoren, gesportschoold en gefotoshopt dat alle seks eraf is gepoetst, en bloot nog sterieler aandoet dan aangekleed. Dat zie je op deze publiciteitsfoto: het is reclamebloot.

Een van de choquerend bedoelde momenten in Hair is het moment vlak voor de pauze dat de hele cast zich volledig en frontaal naakt aan het publiek toont. Hoewel ik als geregeld theaterbezoeker wel wat gezien heb: dit is niet niks. Er is één enorm verschil met hippiebloot: het haar. Hippiemeisje lieten trots hun oksel- en beenhaar staan, en van het bijsnoeien van schaamhaar had nog niemand gehoord. Schaamteloos en puur natuur moest het immers zijn. Nu hebben alle meisjes op het podium hun oksels, benen en venusheuvel geschoren.

Echt lang haar kweken is trouwens heel moeilijk. Meestal gaat het enorm pluizen en je krijgt dode punten. In de jaren zestig gaf dat niet, want het was juist de bedoeling dat je er bij liep als een daklozenkrantenventer. Nu hebben verschillende spelers pruiken of hair extentions: nephaar dat aan het echte haar is vastgeplakt. U krijgt dus Hair, maar wel bijgepunt.

‘Hair’ gaat morgen in première in het Chassé Theater te Breda. Tournee t/m 11 april. Inl. 0900-9203 of www.hairmusical.nl.