Kwistig verspreide zaden

Stuifmeel, zaad en het geslachtelijk proces. Aflevering in een serie over bekende en onbekende bomen in Nederland.

Wat bij een man het zaad is, is bij een boom het stuifmeel en wat bij een vrouw de vrucht is, is bij een boom het zaad. De woordkeus verschilt, de technische uitvoering verschilt, maar het proces is hetzelfde: geslachtelijke vermeerdering, de drijvende kracht achter die enorme diversificatie van het leven op aarde.

Ik zat thuis over deze dingen te praten met Frits van Beusekom, die ik een kleine dertig jaar geleden heb leren kennen; hij was destijds directeur van Staatsbosbeheer. „Kun je”, vroeg ik hem, „bij bomen ook over embryo’s spreken?”

„Dat zal ik je laten zien”, antwoordde hij enthousiast.

Ik ging buiten een eikel halen en hij nam zijn zakmes om de schil te verwijderen. Daarna trok hij voorzichtig de beide lobben uit elkaar. Aan de onderkant (als je hem goed houdt) zit een korreltje, zoiets als het kaboutertje in een pinda. Bekijk je dat door een loepje, dan zie je duidelijk stengel, wortel en (als een gerimpeld en in dit geval zelfs ietwat rossig vlaggetje) twee blaadjes.

De hele eik dus op een formaat van drie millimeter en het is bijna aandoenlijk te bedenken dat zoiets al over een zekere kennis van de omringende wereld beschikt. Dit korreltje heeft niet alleen weet van de juiste omstandigheden om te ontkiemen, maar ook van boven en onder – je ziet tenminste nooit een eik op zijn kop staan.

Goed, boomzaden.

Bomen als berk, wilg, grove den en esdoorn kiezen voor het vliegvermogen van hun zaden: ze houden ze zo licht mogelijk en doen er pluimpjes of vleugeltjes aan. Eik en beuk daarentegen hebben zulke zware zaden dat ze alleen maar kunnen vallen. Zij produceren zorgvuldig afgewerkte voedselpakketjes, hun embryo’s krijgen een flink startkapitaal mee.

Kijk je nu om je heen, dan krijg je een indruk van grenzeloze verspilling: al die eikels en beukennootjes, al die kostelijke eiwitten die daar maar liggen te bederven. Maar voor een deel is dat mensenwerk: eiken bijvoorbeeld zijn eeuwenlang geselecteerd op een grote zaadgift, want dat was varkensvoer. En nog meer mensenwerk: wij zien deze bomen vooral in parkachtige situaties. In de vrije natuur is het bederf meteen al veel minder.

We kunnen gevoeglijk aannemen dat een kwistige verspreiding van zaden voor eik en beuk noodzakelijk is, of op z’n minst dat zij zich dit kunnen veroorloven – hun bestaan is er het bewijs van.

De voedingswaarde van hun zaden is alom bekend. Beukennootjes worden en masse gegeten door muizen, vinken en mezen. Dit is de tol die beuken betalen. Zo betalen eiken ook hun tol aan herten en everzwijnen. Maar bij eiken speelt nóg iets: anders dan beuken kunnen zij niet onder hun eigen scherm opgroeien – hun zaden móéten weg zien te komen uit de schaduw. En daar zorgen eekhoorns en Vlaamse gaaien voor. Deze dieren leggen wintervoorraden aan. Het zijn de vergeten eikels die het voortbestaan van eiken verzekeren.

Het schijnt dat eekhoorns vergeetachtiger zijn dan Vlaamse gaaien. Vlaamse gaaien echter wachten langer voordat ze eikels opeten, vaak tot vlak voor het kiemen, misschien omdat de zaden dan beginnen te versuikeren en hun bittere smaak verliezen – en ja, hoe langer een eikel blijft liggen, hoe groter de kans op een eik.

Al met al hebben eiken er groot belang bij dat hun zaden door dieren worden verzameld en opgeborgen. Het is goed denkbaar dat ze hun zaden precies daarom zo groot maken. Vergeleken met beukennootjes zijn eikels werkelijk reusachtig.

En dit verschil in grootte komt straks mede tot uitdrukking in de manier van wortelen van de zaailingen. Die van eiken vormen, puttend uit hun reusachtige energievoorraad, direct een penwortel en gaan de diepte in. Die van beuken spreiden hun worteltjes meer aan de oppervlakte en blijven wat talmen in de strooisellaag. Beginnende beuken sterven massaal bij droogte. Maar ook beginnende eikjes zijn kwetsbaar: zij worden massaal aangevreten door grazende beesten, hun eerste blaadjes zijn onweerstaanbaar voor passerende reeën en herten.

Koos van Zomeren