Journalistieke mythologie

Pieter Waterdrinker: Montagne Russe. De Arbeiderspers, 309 blz. € 18,95

Pieter Waterdrinker grijpt in zijn verzamelbundel Montagne Russe terug op eerder werk om zichzelf te typeren. In het uitermate geestige verslag van een bezoek aan een Russische uitgeverij die zijn roman Liebmans ring in vertaling publiceerde, doet hij dat zo: ‘Sveta was ondergedoken in de wereld van Johannes Liebman, een protagonist die in niets op mij lijkt, behalve misschien in zijn drankmisbruik, schizofrene paranoia, hang naar erotomanie en hondenangst voor vaderlandse intellectuelen.”

Deze ‘vaderlandse intellectuelen’ zijn vrijwel zonder uitzondering Nederlandse journalisten die hun vak serieus nemen. Waterdrinker, zelf jarenlang werkzaam als correspondent van De Telegraaf in Moskou , gaf er in zijn roman Een Hollandse romance blijk van een uitgesproken minachting voor serieuze journalistiek te hebben. Dat komt de journalistieke of beter gezegd de non-fictiestukken in de bundel niet ten goede.

Zijn journalistieke credo – ergens op af gaan zonder hinderlijke voorkennis – komt naar voren in ‘De zwanenzang van joods Siberië’, een verslag van een reportagereis naar de door Stalin gestichte onleefbare joodse autonome regio Birobidjan.

Samen met een collega-journalist die Frank heet reist hij vele kilometers om er te komen zonder ook maar iets van de gruwelijke geschiedenis van Birobidjan te weten. Vlak voor aankomst praat zijn collega – herkenbaar als de toenmalige correspondent van deze krant, Frank Westerman – hem even bij. ‘„Hoe weet je dat toch”, vroeg ik Frank. „Gewoon goed documenteren”, antwoordde hij. Zonder voorbereiding bereikte je in dit vak niks. Dan bleef je werk steken op het bedenkelijke niveau van de riooljournalistiek.’

Ik wil niet zeggen dat Waterdrinkers reportages riooljournalistiek bevatten, het zijn eerder impressionistische schetsen in de trant van de Amerikaanse ‘new journalists’ uit de jaren zestig die de waarheid alleen in de persoonlijke ervaring vonden en hun beleving van de waarheid met literaire middelen beschreven. Feiten doen er minder toe.

Zo beweert Waterman (1961) dat toen hij zich in de Russische taal verdiepte (gezien zijn leeftijd eind jaren zeventig) ‘half intellectueel Europa met rode rozen in het knoopsgat naar Leningrad, Oost-Berlijn en Praag trok’ om zich daar te laten fêteren. Als één van de weinigen las híj daarentegen Het geloof der kameraden van Karel van het Reve, die volgens hem ‘door velen’ werd gehoond. Dit past misschien in zijn mythologie, maar kloppen doet het niet. Het geloof der Kameraden verscheen in 1969, toen Waterdrinker 8 jaar was en werd alom gerespecteerd. En dat ‘half intellectueel Europa’ na Praag ’68 dweepte met het sovjetcommunisme getuigt van een rijke fantasie.

Waterdrinker is dan ook op zijn best als hij fictie schrijft. In Montagne Russe staan zeven korte verhalen over het huidige Rusland die het ‘journalistieke’ werk in deze bundel verre overtreffen en waarin hij zich als de exuberante literator die hij is, op aanstekelijke wijze uitleeft.