Het CS staat daar goed

Staat het Centraal Station in Amsterdam wel op de goede plaats? Deze vraag houdt al generaties bezig. Er zijn twee scholen. De ene zegt: het is weilswaar een prachtig gebouw maar het beneemt ons het uitzicht op het brede water van het IJ. Het heeft de stad visueel afgesneden van haar grote verleden. Het had beter bijvoorbeeld ergens in Zuid kunnen staan, op het kruispunt van de Ruysdaelkade en de Ceintuurbaan, of aan het begin van de Overtoom. De andere school zegt dat het toen, in 1881 op precies de goede plaats is geprojecteerd.

et CS is gebouwd tussen 1881 en 1889, naar het ontwerp van Pierre Cuypers (1827-1921), de grote architect. 2007 is tot het Cuypersjaar uitgeroepen. In Maastricht en Rotterdam zijn tentoonstellingen van zijn werk en discussies over zijn verdiensten, alles georganiseerd door het Nederlands Architectuurinstituut. De locatie van het CS zal zeker ook weer aan de orde komen. Dit is mijn bijdrage.

In het laatste kwart van de negentiende eeuw was de trein verreweg het belangrijkste middel van vervoer. Auto’s en vliegtuigen waren er niet. De grote steden groeiden onweerstaanbaar verder doordat ze op het spoorwegnet waren aangesloten. Banken, kantoren van grote bedrijven, de beurs, alles wat in het belang van de economie was, bevond zich in de stadscentra. Het was dus niet meer dan vanzelfspreken dat daar ook de grote stations werden gebouwd. Overal. In Londen, Berlijn, Wenen, Parijs, New York, Washington. En Amsterdam.

Wat zou er in de eerste helft van de twintigste eeuw met het centrum van Amsterdam zijn gebeurd als het CS niet aan het IJ had gestaan? Vooral het interbellum was de tijd van de cityvorming. De Beurs van Berlage, het gebouw van de Nederlandse Handel Maatschappij aan de Vijzelstraat, de grote kranten, allemaal gevestigd aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Het waardige Victoria Hotel, recht tegenover het station. Nog veel meer dat zijn bestaan of zijn bloeitijd aan deze locatie van het CS te danken heeft.

In de jaren twintig werd het langzaam duidelijk dat de commerciële luchtvaart de grote concurrent van de spoorwegen zou worden. Vliegvelden werden toen zo dicht mogelijk bij de grote steden gebouwd. De Berlijnse luchthaven Tempelhof, aangelegd tussen 1922 en 1924, grenst zowat aan het centrum. Het hoofdgebouw lijkt wel een centraal station voor het luchtverkeer. In die periode heeft het de stad geen kwaad gedaan. In 1926 waren er 32.000 passagiers; tien jaar later 220.000. Waarschijnlijk wordt het nog dit jaar gesloten.

De rollen zijn omgedraaid. Nu ontstaan bij de grote luchthavens nieuwe steden. Wat was in Amsterdam de Zuidas zonder Schiphol geweest? Hoofddorp, het moderne deel, is een curieuze stad op zichzelf. Schiphol met al zijn aanhangsels is ook een soort stad geworden. Het railverkeer past zich aan, met een web van kleine treintjes die de terminals verbinden, zoals op Kennedy Airport, of met een groot ondergronds station voor de internationale treinen, zoals op Schiphol.

Stel je nu voor dat in Amsterdam het CS niet aan het IJ had gestaan, maar ergens in Zuid. Dan had in de jaren twintig en dertig zich daar geconcentreerd. Daar was misschien een nieuw centrum gegroeid, ten koste van het oude. Hadden we dan alles in het werk gesteld om de vitaliteit van de grachtengordel te redden? Nog meer doorbraken gemaakt? Meer grachten gedempt, zoals commissaris Kaasjager in de jaren vijftig wilde? Meer geweldige vergissingen begaan, grote bankgebouwen op de verkeerde plaatsen gezet? De verschrikkelijkste daad van vergeefsheid is de sloop van de Galerij aan het Frederiksplein. Hoe komt het toch dat de Amsterdamse bestuurders dat toen niet hebben ingezien? Hardnekkig verblind door denkbeelden over cityvorming waar geen ‘city’ gevormd kon worden.

Dat mooie station van Cuypers staat nu eenmaal aan het IJ. Niets meer aan te doen. Intussen is er weer een nieuw tijdperk aangebroken. Iedere dag komen daar duizenden toeristen aan, om te kijken naar Rembrandt en Van Gogh, of om pret, fun te hebben. Op het Damrak worden ze al op hun wenken bediend. De Walletjes, op steenworp afstand, zijn wereldberoemd. Dan gaan ze blowen, paddo’s kopen. Op de vroege ochtend tref je ze aan, in hun roes, sufgeblowd, in onze monumentale binnenstad. Ze komen allemaal via ons mooie CS. Dat had Cuypers ook niet kunnen voorzien.

Dit probleem is niet typisch Amsterdams. Afgezien van de paddo’s en de wiet hebben alle oude Europese binnensteden ermee te maken. En laten we in ieder geval nu blij zijn dat het CS niet op de plaats van het Rijksmuseum staat, en andersom. Want dan hadden we ons Museumplein niet gehad.