‘He, de kleur verplaatst zich’

Peter Struycken, van wie in het Groninger Museum een groot overzicht te zien is, maakt geometrisch-abstracte kunst die voor zichzelf moet spreken. „Het onderwerp interesseert me helemaal niet.”

Hij draagt altijd grijs, want grijs is als het midden van de cycloon – daar is het altijd stil en rustig. Hij geldt als een van de belangrijkste naoorlogse kunstenaars van Nederland, een ‘principe-ruiter’ van het modernisme. Noemt zichzelf als docent ‘een teistering’, zowel vroeger op de academie in Arnhem als later op de Rijksakademie in Amsterdam. Wie niet in staat is om in zijn vak een veer te kunnen wegblazen, moet maar ‘masseur’ worden – zoiets.

Peter Struycken (1939) is een erflater van Van Doesburg en Mondriaan, een koele rationalist die zijn kunstwerken – of ze nu ‘vrij’ zijn of in opdracht gemaakt – met behulp van computerprogramma’s en volgens strikt mathematische principes opbouwt. Zijn naam wordt in één adem genoemd met Jan Schoonhoven, Ad Dekkers – moeilijke kunstenaars, die het zichzelf ook moeilijk maakten met hun geometrisch-abstracte kunst. Hij is van een generatie kunstenaars die vindt dat een kunstwerk voor zichzelf moet spreken. Want privéleven – ach.

Dus is de verrassing groot.

Dat hij zichzelf relativeert. Laconiek is. Grappig. Hij zegt dat hij dit niet kan en dat niet kan. Dat hij bijvoorbeeld geen muzieknoten kan lezen, ondanks dat hij een aantal schitterende kleurcomposities heeft gemaakt op werken van Skrjabin, Xenakis en Boulez. Hij zegt dat hij met de computer moeite heeft omdat hij geen enkel mathematisch inzicht heeft – al goochelt hij wel voortdurend met algoritmes en sinussen. Hij noemt zichzelf een alfa, of nee, beter nog, „óók geen alfa”. Want hij kan geen woordjes onthouden. Hij kan „überhaupt niets onthouden”. ’ En hij is het „bijna altijd” met de laatste spreker eens.

Hij woont in het oude centrum van een van de mooiste steden van Nederland: Gorinchem. De rivier de Waal ligt op een steenworp afstand van zijn huis. Even de dijk op en je hebt een uitzicht waar elke kunstenaar op zoek naar onbegrensdheid van droomt. Binnenshuis staat en hangt het vol abstracte kunst – ook van hemzelf. De kleurvlakken bijvoorbeeld waarmee de eetkamer is beschilderd, zijn naar eigen ontwerp. Een proef voor de zalen van het Groninger Museum, waar op dit moment een retrospectief van hem is te zien.

Als hij aan tafel zit en appelflappen serveert op een bordje, antwoordt hij veel: „Jaaaaa”, en: „Neeeeee.” Een soort verbaasde ademtochten. Jaaaa! Kijk dan wat Goethe voor ontdekking deed toen hij zei dat kleur een uitwerking had op de psyche van de mens – totale onzin hoor als je zijn denkbeelden letterlijk neemt. Maar als denker een boegbeeld! Neeee, lees de lariekoek die Leonardo DaVinci opschreef over de kleuren uit de klassieke oudheid. Of de brieven van Van Gogh – het hyper-individualistische kleurgebruik van Van Gogh: Jaaaaah.

Hij leest niet alles wat los en vast zit. Maar wel alles over een onderwerp dat hem fascineert. „Tot op het bot.” Zoals over kleur, waarover hij een van de laatste raadselen uit de klassieke oudheid oploste. „Ik ben hartstikke trots op die ontdekking. Ook al heeft nog nooit iemand erop gereageerd.”

De tentoonstelling in Groningen

is opgebouwd uit vrij en opdrachtwerk. Over het exposeren van dat laatste had hij aanvankelijk zijn aarzelingen. Maar zijn goede vriend Carel Blotkamp trok hem over de streep. Met hulp van de panoramafoto’s die Struyckens broer Carel maakt, konden ook de werken in de openbare ruimte goed worden gevisualiseerd. Zo ontstaat er een samenzang van twee stemmen, waarbij het autonome werk de onderliggende, en dus minst opvallende stem vertolkt.

Relatief kleine abstracte werken, daar begint het mee in 1964. Wetmatige Bewegingen: hard gekleurde – een soort ninja-achtige sterren op hardboard gelakt. Dan een Lichtobjekt III, een zaal verder. Het is een sleutelwerk uit het begin van de jaren zeventig: : op deze nostalgisch ogende lichtkast worden voor het eerst met behulp van een eenvoudig computerprogramma beeldveranderingen in tijd zichtbaar. Aangestuurd door een ponsband verspringt het licht met scherpe klikken over een veld van geometrische vlakken. Veel associatiever zijn de wandkleden uit 2004 en 2005, waarin kleuren en kleurpatronen zijn geweven die doen denken aan sterrenregens en fabelwezens, en zijn meest recente werk, een dynamisch kleurenschema bij…explosante-fixe…van Boulez.

In het centrum, iedere zaal opnieuw, zijn de kolossale werken in de openbare ruimte in beeld gebracht. Blauwe Golven onder de Mandelabrug aan de Rijnkade in Arnhem werd een boegbeeld van abstracte omgevingskunst in de jaren zeventig. Een spectaculaire pingpongballennevel uit de jaren tachtig voor Aegon. De schitterende, steeds veranderende lichtsculpturen in de ommegang bij het NAi in Rotterdam.

Of het klopt, vraag ik, dat zijn late vrije werk in vergelijking tot zijn vroege werk veel lyrischer lijkt, haast expressionistisch.

„Associaties laten zich nu eenmaal niet stoppen.”

U bent abstract gaan schilderen in de jaren zestig, juist om de toevalligheid van associaties te uit te bannen.

„Ik wilde schilderijen maken die door hun simpele, maar noodzakelijke organisatie – hoe zal ik het zeggen? – volstrekt waren. Het probleem met figuratie is dat alles wat je op het doek ziet, ook meteen bijwerkingen heeft. Je kunt geen kopje schilderen zonder dat je ook een ruimte nodig hebt waar het kopje in staat. Ik wilde me beperken tot het samenstel van gekleurde vormen. Het onderwerp interesseert me helemaal niet – nooit gedaan ook. Vorm is niet interessant. Ik ben niet gek natuurlijk. Ik zie heus wel iemand op straat lopen. Maar ik vind het prettig om te denken: he, de kleur verplaatst zich.”

U ging in 1957 naar de kunstacademie in Den Haag. Was de academie in die jaren een avant-gardistische broedplaats?

„Nee, helemaal niet. We schilderden en tekenden heel traditioneel. Dat was niet erg! De problemen die ik had om fatsoenlijk te kunnen schilderen waren groot genoeg. Ik ging heus hedendaagse schilderijen kijken – al was het maar in Pulchri Studio. De grote verandering kwam toen ik een stilleven van Picasso vond in een boek. Een fantastisch schilderij! Ik zag dat de afwijking die Picasso aan de voorwerpen in zijn stilleven toevoegde, het bééld van die voorwerpen versterkte. Het stilleven werd werkelijker dan werkelijk. Omdat Picasso het zo wilde zien.

„Dat wilde ik ook. En oh, ik heb gezwoegd. Bloed, zweet, tranen. Ik dacht: als ik maar hard genoeg werk, als ik de werkelijkheid maar intensief genoeg bekijk, dan zal ik de afwijkingen op den duur ook zien. Hartstikke naïef. Want wat ik vergat was die wil. Ik realiseerde ik me dat de wil ertussen moet zitten. Ik wíl de alledaagse realiteit zo voorstellen zoals ik haar ervaar. Dat inzicht leidde ertoe dat ik figuratie de rug toekeerde en me afvroeg: wat is de voorstelling van de werkelijkheid die ik zou willen hebben?”

Hoe zag die voorstelling eruit?

„Ik wilde een volstrekt, een ideaal schilderij dat onaantastbaar was, waar alles wat je je over een voorstelling maar kon afvragen, was gevraagd. Ik wilde niet de willekeur en het toeval. Dit ideale schilderij was de werkelijkheid zoals ik haar zag.”

Dat klinkt als een droombeeld.

„Vanzelfsprekend. Het is het droombeeld waarmee ik me het meest vertrouwd voel.”

U heeft wel eens gezegd dat u zich voortdurend aan de realiteit spiegelt omdat die zo meeslepend, rijk en onverwacht is. Toch probeert u één van de belangrijkste kenmerken van die realiteit beheersbaar te maken, in wetten te vatten. Is dat geen vreemde tegenspraak?

„Ik wil er een voorstelling van maken, míjn voorstelling.”

Een wetmatige voorstelling. U structureert de chaos, die onverwacht is en rijk. Dat probeert u althans.

„Dat is de motor, ja. Ik maak parallelle werelden, werelden met een even rijke, sensuele structuur. In ieder werk van mij zitten altijd diezelfde gekoesterde uitgangspunten. Die denkbeelden maken het tot kunst. Niet alleen effect. Niet flinterdunne ideeënkunst. Geen design. Maar noodzaak.”

In welke andere kunstenaars treft u dit soort denkbeelden?

„Bruce Nauman. Willem de Kooning soms. En bij een van mijn beste vrienden, Ad Dekkers. Dekkers was nog strenger dan ik.”

Wat vindt u van een kunstenaar als Philip Guston, die na jaren abstractie terugkeerde naar figuratie?

„Gustons figuratieve werken zijn geniaal en hilarisch somber. Maar zijn abstracte werken dragen in feite niet bij aan de kernwaarden die je in zijn latere figuratieve periode vindt. Ik vind het een zwakte wanneer je in een oeuvre niet terug kunt redeneren tot het eerste begin. Er moet in het eerste schilderij een intentie zitten die ook in het laatste schilderij nog zichtbaar is.”

Is het geen illusie dat kunstenaars, schrijvers vanaf het begin tot het eind rationeel doorwerken aan een consistent oeuvre?

„Neeee. Helemaal niet! Natuurlijk, het komt vaak voor dat kunstenaars veranderen. Maar ik zeg: gooi de rotzooi die je daarvoor maakte weg. Vernietig je werk waarvan je het gevoel had: dat is alleen maar de aanloop geweest. In het geval van Guston wil het namelijk zeggen dat hij al een hele tijd aan het schilderen was zonder dat hij zijn eigen denkbeelden voor ogen had.”

Maar waarom vernietigen. Het werk is onderdeel van een ontwikkeling?

„Kan zijn. Maar het moet kunst zijn en aanspraak maken op het denkbeeld dat je hebt. En als dat denkbeeld achteraf ver verwijderd blijkt van wat je denkbeelden werkelijk zijn, dan moet je dat werk vernietigen. Zelfs als daarmee dertig jaar werk verloren gaat. Dat is niet erg. Het was alleen verloren tijd.”

Redderend met warme broodjes,

meloen en ham vertelt hij in de keuken dat hij gewend is aan moederen. Altijd zelf gekookt. Zelden in restaurants gegeten. Want zijn beste vriend Ad Dekkers had een zoon – Daniel. Na de zelfmoord van Dekkers in 1974, trouwde hij Lien, Dekkers’ weduwe, en voedde de jongen mee op, totdat ook Lien stierf. „Daniel was twaalf jaar oud. Ik bleef achter met een jonge puber. Wanhopig makend moeilijk, maar ook heerlijk om voor hem te zorgen.

„Ad en ik – dat was koekoeks-één-zang. Ik ontmoette hem vlak na de academie. We waren praktisch even oud. Ad was hééél fel. Heel anders dan ik. Hij had een veel grotere gedrevenheid dan ik – althans zo voelde ik dat. Later zag ik pas dat er psychische problemen bij hem speelden. Van Lien hoorde ik later dat Ad vaak zei: ‘Peter kan altijd verder.’ Ad niet. Ad zag niet hoe hij verder kon. Hij raakte geobsedeerd door het feit dat zijn kunst niet op afroep beschikbaar was, dat hij niet wist wat de volgende stap zou zijn. En eigenlijk had hij die stap al genomen – met zijn transparante tekeningen – toen hij in 1974 zelfmoord pleegde.”

Terug in de eetkamer zegt hij: „Bij mij is het natuurlijk evenmin zo dat ik op ieder moment de stap kan maken die ik wil. Neem het werk bij Boulez – daar heb ik bijna vier jaar heel intensief aan gewerkt. Honderden keren luisteren, aantekeningen maken, met experts spreken, zoeken, eindeloos veel zoeken. Maar ik ben laconiek. Ik heb altijd gedacht: als het ophoudt, houdt het op.”

Is hij net zo laconiek, vraag ik, over zijn bestaande werk?

„Soms wel. Binnenkort ga ik verhuizen. Het huis wordt te groot. Ik ga naar mijn atelier en denk: al dat werk dat nog nooit is tentoongesteld – wat moet ik ermee? Het weer meeslepen? Ik pak het op: waar ging het ook alweer over? Oh ja. Mwahhh, ziet er toch niet zo goed uit. Zou ik het zelf aanschaffen als ik het ergens zag hangen? Nee.”

Meer dan de helft van uw werk in de openbare ruimte is afgebroken, ander werk staat er zieltogend bij. Gaat dat u aan het hart?

„Nee, afbreken vind ik niet erg. Het allerleukste is immers het maken. Daarna wil ik het ding nog wel even zien, maar dan heeft het wat mij betreft zijn langste tijd wel gehad. Vandalisme, dat vind ik wel erg, of verwaarlozing, zoals de fontein met lichtcompositie op het Spui in Den Haag, waar op drie lullige straaltjes na niets meer van over is.”

U besluit niet: dit soort opdrachten doe ik niet meer?

„Nee, ik denk dat het heel cynisch is: ik wil nog van alles uitproberen en risico’s neem ik op de koop toe.”

Uw zoon is informaticus geworden en programmeert uw computerprogramma’s. Uw broer fotografeert uw werk. Heeft u altijd met familie samengewerkt?

„Nee, integendeel. Met mijn broer Carel werk ik voor het eerst. Ik heb lang nauwelijks contact met hem gehad. Hij zit in Los Angeles, ik hier. We zijn gescheiden opgegroeid. Ik ben op mijn elfde naar kostschool gegaan en daarna naar pleegouders. Carel ging met de rest van het gezin naar Curaçao.”

U ging niet mee?

„Nee. Men zei dat het te druk was voor mijn stiefmoeder.”

Uw moeder is al vroeg overleden?

„Mijn ouders zijn na de oorlog gescheiden. Ik was zes of zeven. Wij bleven als kinderen bij mijn vader. Mijn moeder verdween uit mijn leven, mijn stiefmoeder kwam in mijn leven. Als kind ging ik één keer in de veertien dagen bij mijn moeder eten. Tot mijn zeventiende. Toen dacht ik op een avond: wat doe ik hier eigenlijk? Ik hoor hier niet. Ik ben opgestaan, weggegaan, heb haar nooit meer gezien.

„Met mijn vader ging het net zo. Mijn vader en stiefmoeder hadden een goedburgerlijk gezin, met twee hulpen die kookten en schoonmaakten. Mijn vader was keel-, neus- en oorarts. Een pester vond ik hem, hij deed altijd schamper, denigrerend over kunst. ‘Je wordt gewoon verneukt’, zei hij bij Mondriaan. Ook bij mijn vader besloot ik op een dag: het hoeft niet meer. Ik was toen vierentwintig, net van de academie af, ik verdiende mijn eigen brood.

„Ik heb er niet onder geleden, denk ik. Het ging zonder veel agressie of verwijten. En ook later toen ze dood gingen, had ik niet iets van: hè jammer. Ik vond: als het niets betekent, dan maar niet. Geen dobberende verhouding. Helderheid.”

Het digitale paradijs van Peter Struycken. T/m 2 dec in het Groninger Museum, Museumeiland 1, Groningen. Di t/m zo 10-17u. Catalogus: 45 euro.