Groene vrede

Op de dag dat Al Gore en het klimaatpanel van de Verenigde Naties de Nobelprijs voor de vrede werd toegekend, bereikte de prijs van een vat ruwe olie (159 liter) een nieuw hoogtepunt van 84 dollar. De toegenomen spanningen tussen Turkije en Noord-Irak zijn de oorzaak van de prijsstijging. Afgelopen nacht kostte een vat olie meer dan 90 dollar. Volgens analisten is een olieprijs van 100 dollar per vat bepaald niet uitgesloten.

Dezelfde dag zei de voormalige Amerikaanse bevelhebber in Irak, luitenant-generaal Ricardo Sanchez, tegen verslaggevers dat de oorlog in Irak, die inmiddels vierenhalf jaar duurt, „een nachtmerrie zonder einde in zicht” is. Die oorlog draait, aldus voormalig centrale-bankpresident Alan Greenspan, vooral om de olievoorraden in het Midden-Oosten.

Dezelfde dag ook bekritiseerde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Condoleezza Rice, de Russische regering onder leiding van Vladimir Poetin. Volgens Rice heeft Poetin zoveel macht naar zich toegetrokken dat de ‘machtsgreep’ de democratie in Rusland dreigt te ondermijnen. Poetin zal er zijn schouders over ophalen. Zolang de energieprijzen stijgen is hij spekkoper.

New York Times-columnist Thomas Friedman waarschuwde anderhalf jaar geleden al dat de onvrijheid in de wereld toeneemt naarmate de olie duurder wordt (Opiniepagina, 13 mei 2006). Volgens Friedman zijn de Amerikanen verslaafd aan olie, en autofabrikant General Motors (producent van de Hummer) is in zijn ogen de drugsdealer.

De westerse energiehonger voedt en versterkt de regimes in landen als Rusland, Venezuela, Iran, Soedan en Saoedi-Arabië. Het zijn allemaal landen die geen acht slaan op mensenrechten en internationale verdragen. Niettemin kan het westen weinig tot niets uitrichten, buiten een oorlog beginnen, zolang het van deze landen afhankelijk is voor de olietoevoer.

Olierijkdom verstoort niet alleen de democratische ontwikkeling in de oliestaten, maar ook de economische ontwikkeling in die landen, omdat de regeringen geen beroep hoeven te doen op de creativiteit en vitaliteit van de bevolking. Het beleid in de petrostaten is daardoor niet gericht op het bouwen van instituties of een goed onderwijssysteem. Het gaat slechts om wie de energievoorraad controleert.

In Rusland, Venezuela, Iran, Soedan en Saoedi Arabië worden mensen rijk die in de regering zitten, of die goed bevriend zijn met de machthebbers. In Westerse liberale markteconomieën daarentegen worden mensen rijk door buiten de overheidssector actief te zijn en een eigen onderneming te starten. Niet voor niets wordt het salaris van de minister-president in Nederland gehanteerd als maatstaf voor de (maximum) beloningen in de (semi-) publieke sector.

Dankzij de oliedollars van de Venezolaanse president Hugo Chávez hebben de landen van Zuid-Amerika hun schulden bij het Internationaal Monetair Fonds kunnen aflossen zonder dat ze verdere economische hervormingen hoefden door te voeren. Wat er met deze economieën gebeurt als Chávez de geldkraan dichtdraait is onduidelijk.

De oliedollars spekken de staatskassen van olierijke landen: de belangrijkste tegenhanger van het Amerikaanse tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans is niet langer het surplus van opkomende Aziatische economieën maar dat van de grootse olie-exporterende landen.

Rusland, waar in 1999 de reserves minder dan 9 miljard dollar bedroegen, heeft inmiddels ruim 250 miljard dollar aan buitenlandse reserves vergaard. De Verenigde Arabische Emiraten hebben het grootste staatsfonds ter wereld. Het fonds had vorig jaar een omvang van 875 miljard dollar en groeit exponentieel. Met het geld kopen de Verenigde Emiraten en Rusland strategische belangen in het Westen op.

In navolging van bondskanselier Angela Merkel heeft de Nederlandse minister van Economische Zaken Maria van der Hoeven (CDA) haar bezorgdheid geuit over deze ontwikkeling. Volgens Van der Hoeven moet Nederland niet naïef afwachten totdat de extreem rijke opkoopfondsen van de autoritaire staten hier komen winkelen.

Tegelijkertijd moet iets worden gedaan aan de westerse olieverslaving. Dat wil zeggen verhoging van de brandstofaccijnzen, de invoering van een spitsheffing en een flinke vliegtaks. Als Nederlanders zó gehecht zijn aan eigen identiteit en aan huisje, boompje, beestje dan zie ik überhaupt nut en noodzaak van lange autotochten en verre vliegvakanties niet in.

Ondernemingen moeten duurzaam gaan ondernemen. Zoals Annemarie Rakhorst, directeur van Search bv en Zakenvrouw van het jaar 2000, woensdag in een interview in deze krant zei, levert duurzaam ondernemen meervoudige winst op: „Als je kijkt naar de beurswaardering dan zie je dat duurzame bedrijven het in het algemeen beter doen.”

Liesbeth van Tongeren, directeur van Greenpeace, is het met Rakhorst eens: „Elke euro die wordt geïnvesteerd voor CO2-reductie verdient zichzelf binnen enkele jaren terug. Tegelijkertijd wordt verdere schade aan het milieu door klimaatverandering voorkomen.”

Sommigen verwachten meer en zwaardere orkanen. In de Verenigde Staten worden de verzekeringen geannuleerd voor woonhuizen die minder dan 100 kilometer van de kust liggen.

Volgens schattingen van het Nederlandse ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu zal Nederland 70 miljard euro kwijt zijn aan aanpassingen in verband met de verwachte klimaatverandering. De grootste kostenpost daarbij is bescherming tegen de overstroming van rivieren, omdat in Europa zwaardere en langduriger regenbuien worden verwacht.

Achteraf is het natuurlijk altijd makkelijk praten. Maar als de Verenigde Staten vierenhalf jaar geleden niet de oorlog in Irak waren begonnen (waarbij zij door Nederland werden gesteund), maar in plaats daarvan een revolutionair energiebeleid zouden zijn gaan voeren, was de wereld nu ongetwijfeld een fijnere plek om te wonen geweest.