Ergens moet een plekje zijn

Veel meer dan haar tijdgenoten Joyce en Proust liet Carry van Bruggen zich in haar introspectie leiden door het verlangen naar een oplossing. Die was haar niet gegeven, blijkt uit een nieuwe uitgave van haar romans.

Carry van Bruggen: Verhalend Proza. De verlatene, Het huisje aan de sloot, Eva. Deltareeks. Van Oorschot, 607 blz. € 34,90

Als je in twee werelden opgroeit is de kans groot dat je ertussen belandt. Eenmaal losgekomen van het ouderlijk huis, vervreemd van het geloof en de tradities waarmee ze zijn opgevoed, blijken veel tweede- en derdegeneratie allochtonen zich niet echt deel te voelen van de cultuur waar ze zich onmiskenbaar al wel voor een groot deel aan hebben aangepast. De hoge toon waarop politici en opiniemakers integratie eisen doet het voorkomen alsof het hier gaat om het maken van een simpele keuze. De vraag hoe het voelt om tussen twee werelden te leven, lijkt niemand echt interessant te vinden.

Er is bijna geen actueler maatschappelijk thema te vinden. En toch stelde Carry van Bruggen het al een kleine eeuw geleden, in de jaren 1910 en 1920, centraal in haar romans, met veel psychologisch en filosofisch inzicht. Haar werk roept onwillekeurig vergelijkingen op tussen de identiteitscrisis die veel jonge Nederlandse moslims op dit moment beleven en de ervaringen die zij had als joodse vrouw in het Nederland van de vroege 20ste eeuw. De spanning tussen religieuze voorschriften en vrije liefde, verstoting uit het gezin na geloofsafval, heimwee naar de zekerheid die het geloof te bieden had, de verhevigde behoefte aan nieuwe zingeving en de ontdekking dat, ondanks dit alles, je door Nederlanders nog steeds als jood, of moslim, wordt behandeld.

Carry van Bruggen, in 1881 geboren als Carolina Lea de Haan, was de dochter van een gazan, zoals in kleine joodse gemeenten de voorzanger en godsdienstonderwijzer heette. Ze kreeg een orthodoxe opvoeding. Haar jeugd in Zaandam bestond uit de strikte naleving van de religieuze wetten thuis terwijl ze daarbuiten werd geconfronteerd met het soms latente, soms regelrechte antisemitisme dat in het vooroorlogse Nederland de normaalste zaak van de wereld was.

Toen ze in 1900 verhuisde naar Amsterdam om daar als onderwijzeres te werken, duurde het niet lang voor ze brak met de tradities en het geloof van haar jeugd. Haar eerste succes beleefde ze met De verlatene uit 1910, een realistische beschrijving van een orthodox joods gezin dat uit elkaar valt, en die zij de ondertitel ‘Roman van het Joodse leven’ meegaf.

De verlatene is samen met twee latere romans van Van Bruggen, Het huisje aan de sloot (1921) en Eva (1927), nu in de heruitgave Verhalend Proza verschenen. Gedrieën laten ze een duidelijk beeld zien van haar ontwikkeling als schrijfster. En niet toevallig richt haar vroege werk De Verlatene zich daarvan het meest uitgesproken op de kwestie van ontworteling uit een traditioneel gezin. De vier kinderen die we in de roman volgen hebben weinig met elkaar gemeen, behalve dat zij alle op hun eigen manier geen kans meer zien om trouw te blijven aan het geloof van hun vader: een dochter vlucht weg met een rijke man, een broer gaat juist het geloof thuis als onecht ervaren en vertrouwt op den duur niemand meer.

De vader, naar wie de titel De verlatene verwijst, toont geen enkel begrip voor de problemen van zijn kinderen en maakt zich enkel druk om wie de Sjeimets voor hem bidden zal op zijn sterfbed. Op weinig subtiele wijze deelt de schrijfster mee dat de vaderfiguur ‘de traditie zelf’ symboliseert, ‘het oude Jodendom met al zijn edelen moed en botte bekrompenheid, zijn voorname hoogheid en barbaarsche heerszucht.’

Uit dit vroege werk blijkt Van Bruggens voorliefde voor filosofische vragen en haar neiging om die expliciet te maken in haar romans. Die behoefte bevredigde ze in Prometheus, uit 1919, een gecompliceerd en omvangrijk cultuurfilosofisch essay over de verhouding tussen individu en collectief. En het lijkt haast wel alsof dat haar de voldoening en rust gaf om in haar daaropvolgende romans meer aan de suggestie over te laten. Het huisje aan de sloot (1921) is wat stijl betreft niet meer te vergelijken met De Verlatene: op een trefzekere, warme poëtische toon beschrijft ze hier de leef- en denkwereld van een klein joods meisje dat met veel verwondering en fantasie om zich heen kijkt.

Door de jaren heen verschoof de focus van Carry van Bruggens schrijverschap van ontworteling naar introspectie. Haar weerzin tegen elke vorm van groepsdenken, die haar van het geloof had verwijderd, maar die haar ook sceptisch deed staan tegenover socialisme, feminisme en zionisme, verklaart deze ontwikkeling.

In 1914 trok Carry van Bruggen – die was gescheiden van de journalist Kees van Bruggen – met haar twee kinderen naar het kunstenaarsdorp Laren, waar ze met schrijven, lezingen en lesgeven het hoofd boven water hield. Haar onafhankelijkheid moet ze niet alleen als verworvenheid hebben beleefd, maar ook als een lot, iets waar ze zelf nauwelijks wat aan kon doen.

In Eva (1927), het boek dat als haar meesterwerk beschouwd wordt, worstelt de gelijknamige hoofdpersoon in een voortdurende gedachtestroom met haar onvermogen om zich in het maatschappelijk leven te bewegen, en zich te geven in de liefde. Schaamte en schuldgevoel doorkruisen elk seksueel verlangen. Als een mantra klinkt bij elke aanraking het ‘ontucht .. overspel’ in haar hoofd. Eva’s onthecht individualisme komt tegen wil en dank tot stand en fungeert hier ook als doodsverlangen, waar alleen sociale aanpassing afdoende tegenwicht voor biedt. Maar die valt weer niet te rijmen met haar bijna dwangmatige filosofische zoektocht naar waarachtigheid. Dit heen en weer gesleurd worden door tegenstrijdige krachten stond ook al in Prometheus centraal. Eva herkent er de essentie van het leven in die ze plechtstatig ‘de Slingerslag’ noemt.

De bijzondere aandacht voor filosofisch zwaar beladen bewustzijnprocessen is ook meteen wat Carry van Bruggens werk gedateerd maakt: het is typerend voor de modernistische literatuur van de jaren twintig. Het werk van Proust, Joyce en Virginia Woolf laat precies dezelfde streams of consciousness binnen de hoofdpersonen zien. Maar meer dan haar beroemde tijdgenoten laat Carry van Bruggen zich leiden door het gevoel van noodzaak om haar introspectieve ontdekkingstocht te laten eindigen met een oplossing voor alle onzekerheid en tegenstrijdheden die zij binnen en buiten zichzelf waarnam. Haar leven tussen twee werelden in lijkt wel voor een verheviging van de in de toenmalige literatuur overheersende modernistische problematiek te hebben gezorgd.

Een jaar na de publicatie van Eva raakte Carry van Bruggen in een depressie. In 1932 overleed ze aan een overdosis slaapmiddelen.

Hoe actueel Carry van Bruggens Verhalend Proza ook is wat betreft de thematiek, het is tegelijkertijd wel erg weerbarstig. De spreektaal die de personages van De Verlatene realistisch moet laten lijken, komt vandaag de dag gekunsteld over. De prachtige beeldrijke stijl van Het huisje aan de sloot lijdt onder het schetsmatige karakter van het boek. Elk hoofdstuk is een afzonderlijk miniatuurtje en dat maakt de roman als geheel tot los zand.

Eva tenslotte komt in de eerste hoofdstukken inderdaad dicht in de buurt van een meesterwerk. De spanning tussen Eva’s innerlijke gedachtewereld en haar omgeving, die haar er telkens uit wakker doet schrikken, is af en toe op onnavolgbare wijze invoelbaar gemaakt. Het ritme, het associatieve taalgebruik, de soms pijnlijk openhartig beschreven donkere gevoelens die opzwellen en dan weer onderdrukt worden – het is sensueel en spannend.

Maar ook in Eva lukte het Carry van Bruggen uiteindelijk niet om de verleiding te weerstaan om een filosofische oplossing voor al deze verwarring vast te leggen. In de laatste twee hoofdstukken verliest de poëzie het van een esoterisch systeem dat de hoofdpersoon in zijn ban krijgt. De seksuele spanning die Eva achtervolgde lost zich op in een levensbeschouwing met hoofdletters, van ‘Totaliteit’, ‘Eenheid’, ‘Ik’, ‘Evenwicht’ en ‘Slingerslag’.

Eva’s behoefte aan een alles omspannend wereldbeeld was dezelfde als die van Carry van Bruggen. Op intellectueel vlak lijkt Van Bruggen die bevredigd te hebben: in Prometheus en Eva biedt de verkondigde levensfilosofie inderdaad ruimte voor alle denkbare psychologische en maatschappelijke tegenstrijdigheden. Ook literair mag het project geslaagd heten: haar compromisloze eerlijkheid en haar fijnzinnig taalgevoel maakten haar tot een unieke stem in de Nederlandse literatuur. Maar of het haar in de praktijk van haar leven gelukt is om zich weer te wortelen in het leven is de vraag. Eva voorspelt wat dat betreft niet veel goeds: de fysieke ongemakkelijkheid die uit heel de roman spreekt weet Van Bruggen alleen intellectueel het hoofd te bieden. Op de laatste paar bladzijden weet Eva dankzij haar nieuw verworven levensfilosofie zich dan eindelijk over te geven aan de lichamelijke liefde, maar juist dit happy end is het minst overtuigende deel van het boek. Andere passages zijn veelzeggender: zo laat Van Bruggen Eva zeggen dat de vermeende homseksualiteit van haar overleden tweelingbroer haar niet interesseert: ‘Ik bedoel: vergeleken met de dingen, die wezenlijk belangrijk zijn, de groote problemen, de problemen van het bestaan… de problemen van de geest, van het geweten. Al het seksueele op zichzelf… afgezien van verhoudingen… ik voel het als in zekeren zin onbelangrijk, ik bedoel: voor jezelf is het belangrijk genoeg, daarom zeg ik: in zekeren zin onbelangrijk… Maar ik zeg het niet duidelijk. Ik wil dit zeggen: het staat buiten de intellectueele en de ethische problemen.’

Tegelijkertijd laat de hele roman er geen twijfel over bestaan dat er eigenlijk maar één ding opgelost hoeft te worden. En dat is geen filosofisch maar een praktisch probleem: het onvermogen zich simpelweg fysiek ergens thuis te voelen. Het is Carry van Bruggen niet gelukt om dit laatste, meest fundamentele aspect van haar ontworteldheid te overwinnen. Maar als Eva iets duidelijk maakt, is hoe tergend dit verlangen was.