Eindelijk is er dan een bevrijd personage

Jeroen Brouwers’ nieuwste roman ‘Datumloze dagen’ gaat niet alleen over een vader en een zoon, maar ook over een schrijver en werk. Wat betekent dat voor Brouwers’ oeuvre?

Jeroen Brouwers: Datumloze dagen. Atlas, 192 blz. € 18,50

‘Jij moet van je tuurtouw los’, zei uitgever Geert van Oorschot in de zomer van 1971 tegen Jeroen Brouwers. Een tuurtouw wordt gebruikt om een schaap aan een paal te binden, zodat het dier een bepaald stuk land afgraast. Brouwers was toen nog redacteur van een Brusselse uitgeverij. Ongelukkig getrouwd, ook. ‘Ik ben er even later’, schreef Brouwers in 1989, ‘met tuurtouw, paaltje en al vandoor gegaan, alles tegelijk in één klap achterlatend’. Kort daarop vond hij zich terug in een vervallen villaatje in een Vlaams bos. Bevrijd van functie, vrouw en kinderen. ‘In de goot’, naar eigen zeggen, maar ook op de drempel van ‘de tweede helft’ van zijn leven. Daarin werd hij voltijds schrijver.

Dat schrijverschap leverde hem successen op als Bezonken rood, De zondvloed en Geheime kamers. Dit jaar kreeg hij bovendien de grootste én de kleinste literaire prijs van de Benelux: de Prijs der Nederlandse Letteren voor zijn oeuvre en de Tzumprijs voor de beste zin van 2006. De vrijheidsdrang van het ontsnapte schaap domineert in dat hele oeuvre, zowel door de kolossale omvang ervan (een slordige 75 titels), maar ook als terugkerend thema. Steeds weer gaat het bij Brouwers om bevrijding, om het verlangen je los te maken van je omgeving. Soms gaat het daarbij om letterlijke gevangenschap (het Jappenkamp in Bezonken rood of de kostschool in De zondvloed), soms om een opsluiting die overdrachtelijker moet worden begrepen (het huwelijk in Geheime kamers). En altijd gaat het bij Brouwers om de manieren waarop een mens in zichzelf gevangen zit.

Zo ook in Brouwers’ nieuwe roman, die dinsdag verscheen: Datumloze dagen. Aan het begin van het verhaal treffen we de naamloze verteller aan in een stacaravan te Domburg: ‘De grauwe zee onder nog grauwere lucht, geen mens, geen hond, geen paard op het strand, alleen een uit elkaar gewaaide verregende krant die omhoog wilde in de stuwende zeebries, maar door het neerkletterende water aan de grond werd gehouden. Als die krant, zo voelde ik me. Welke datum droeg die krant [...] Ik had het gevoel of mijn leven altijd datumloos was geworden en dit verder altijd zo zou blijven.’

Het schaap aan het touw is een krant in de regen geworden, maar de man die erachter schuilgaat heeft veel weg van de Brouwers uit 1971. Hij is ongelukkig, voelt zich opgesloten in zijn huwelijk. De ketens dreigen bovendien nog zwaarder te worden: zijn vrouw wil een kind. Hij wil dat niet, draait van haar weg in bed, maar dat mag niet baten. Zij lokt hem naar Venetië en negen maanden later is het kind er: Nathan, ‘godsgeschenk’ – maar dat is hij alleen voor de moeder.

Datumloze dagen gaat om de relatie tussen de verteller en deze zoon, voor zover die er is. Want als het kind zes jaar is, wordt de vader – weifelachtig in alles, behalve in zijn overspel – de deur uitgezet. Hij verdwijnt uit het leven van zijn kind. Brieven worden achtergehouden door de moeder, andere brieven worden niet geschreven. Driemaal zullen vader en zoon elkaar ontmoeten in de veertig jaar die Datumloze dagen omspant. De zoon ontwikkelt zich in die periode van een flegmatieke straatmuzikant tot een even succesvolle als flamboyante musicalproducer. Pas in het laatste deel van de roman komen zij weer bij elkaar, met de dood als Dritte im Bunde.

Daarbij lijkt de verteller heen en weer geslingerd te worden tussen schaamte voor zijn gemankeerde ouderschap en een zekere behaagzucht. In deze roman is namelijk nadrukkelijk een charmeur aan het woord. Niet een van het zoetgevooisde soort, maar een die zijn eigen zwakheden als wapen inzet. Al in het begin heeft hij het over zijn eigen ‘lulligheid’ als verklaringsmodel. Hij meet zijn eigen complexen en liefdeloosheid ten opzichte van het nog ongeboren kind zo breed uit, dat je als lezer onwillekeurig gaat denken dat deze kerel in werkelijkheid wel mee moet vallen.

Brouwers laat zijn held dit charme-offensief uitspreken met de virtuositeit die je van een Tzumprijswinnaar verwacht. Zo gaat het na de scheiding over ‘tal van andere vrouwen die later nog door mijn bestaan zijn gerend alsof ze een zebrapad overstaken’. Over de gevoelens binnen een huwelijk: ‘haar hartgrondig hatend zoals een goudvis de kat haat en de kat het water’. Tussen al het stilistisch machtsvertoon gaat Brouwers, gelukkig bijna, ook weleens de mist in. Bijvoorbeeld wanneer hij een slap zinnetje (‘Kon ik in plaats van teksten mezelf maar corrigeren’) vergeet te schrappen of waarin hij aangaande de Venetiaanse conceptie van het kind komt tot ‘gondelen met de gondelstok door het warme nat’ een formulering die je alle lust doet vergaan.

Maar hoe genoeglijk de stijl van Brouwers ook is en hoezeer dit vader-zoondrama bij vlagen ook op het gemoed werkt, Datumloze dagen is vooral fascinerend door de hoofdpersoon. Deze vader tegen wil en dank is in veel opzichten een verschijningsvorm van wat Jeroen Brouwers vorig jaar in zijn ‘oerboek’ In het midden van de reis door mijn leven omschreef als ‘het Brouwerspersonage’: ‘De mannelijke personages zijn zonder uitzondering sullige tamelijk beklagenswaardige, besluiteloze karakters, gijzelaars in verlepte huwelijken, voortstrompelend in grijzige levens waarin ze graag verandering zouden aanbrengen als ze maar durfden, als ze maar in staat waren rigoureus knopen door te hakken, allerhande hinderlijks uit hun bestaan weg te schappen’. Het geldt voor de hoofdpersonen uit De zondvloed, Zonsopgangen boven zee en uit Geheime kamers.

Opmerkelijk aan het Brouwerspersonage in Datumloze dagen is hoe snel hij de vrijheid in de schoenen krijgt geworpen. Als hij door zijn vrouw op de keien wordt gekwakt, kan het rijk van de vrijheid aanbreken. Er gebeurt echter niets. Hoewel hij bevrijd is van zijn huwelijksleven en een zeker succes bereikt in academische kringen, gaat het ware leven nog steeds aan hem voorbij. Zijn bestaan is nog even doods als toen hij nog getrouwd was.

Om in de sfeer van de titel te blijven: zijn dagen zijn nog even datumloos als voorheen. Steeds als hij iets over een voorval wil vertellen, volgt een tussenwerping over vergeetachtigheid, gist hij naar plaatsen, data en tijdstippen. Wat ook wel logisch is als je de metafoor uit het begin wat preciezer bekijkt. Want is een krant werkelijk beter af wanneer hij droog door de wind wordt meegevoerd? Het blijft een verzameling dood papier, iets wat zich laat bewegen, maar waar geen leven in zit. De krantenmetafoor lijkt wel op die van het schaap aan het tuurtouw, maar verschilt daar wezenlijk van.

Een gelijksoortig verschil bestaat tussen het ‘Brouwerspersonage’ en Jeroen Brouwers zelf. In zijn ‘oerboek’ schreef Jeroen Brouwers daarover: ‘Leef ik zelf zo roerloos, ben ik zelf zo duf van aard, heb ik in al mijn mannelijke protagonisten keer op keer mezelf gestalte gegeven’? Nee, beantwoordt Brouwers zijn eigen vraag. ‘Mijn eigen leven is integendeel vrij stormachtig verlopen, wat ook het geval geweest is met mijn schrijverij, waarin de ene rel na de andere is losgebarsten. Ik bezit een heftig en hartstochtelijk karakter, ik ben nerveuzig, driftig, rusteloos, polemisch, anarchistisch, met een sterke neiging tot zelfverachting.’ Met uitzondering van die zelfverachting komen die zinnen de lezer van Datumloze dagen vertrouwd voor. Het is een zeer adequate karakterisering, niet van de verteller, maar van zijn zoon Nathan.

Het ‘Brouwerspersonage’ is niet in staat om zichzelf te bevrijden, blijft altijd leven in ‘datumloze dagen’. Dat is volgens de schrijver ook ‘zijn ware inborst’. Maar in deze roman biedt hij zijn held een ontsnapping in de vorm van een bevrijde zoon.

Een zoon die aan het einde van de roman bovendien veertig jaar is, precies het aantal jaren dat Datumloze dagen scheidt van Brouwers’ debuut Joris Ockeloen en het zwijgen uit 1967. Zoals ook de zes jaar dat het huwelijk van de hoofdpersoon nog standhoudt, overeenkomt met de periode tussen Brouwers’ debuut en 1973, het jaar waarin hij Zonder trommels en trompetten publiceerde, het boek dat hijzelf beschouwt als het begin van zijn schrijverschap ná het tuurtouw.

Deze Nathan kan dus niet anders worden geïnterpreteerd dan een verbeelding van een schrijverschap. Als de vader de tobber Jeroen Brouwers is, dan is Nathan de schrijver Jeroen Brouwers. Datumloze dagen gaat zo niet alleen over de relatie tussen een vader en een zoon, maar vooral over Brouwers’ schrijverschap en hoe hij zich daar zelf toe verhoudt.

Grote geheimen worden daarbij overigens niet prijsgegeven. Nathan wordt in de roman beschreven als een vrolijke en ongeremde jongen, een van het soort dat onbekommerd de vruchten van het leven plukt en die van mening is dat zijn lichaam zich maar heeft te schikken naar zijn verlangens. Een musicus met een talent dat zo groot is, dat de professionals zich erover verbazen. Tot zover is het artistieke portret bepaald complimenteus. Maar wat heeft Nathan met al dat van god gegeven talent gedaan? Hij is musicals gaan produceren. In de woorden van Nathans vader: ‘Musical, dacht ik, bij god, musical! Een weerzinwekkend, smaakafplattend, hersenverwekend genre, gruwzamer dan de tiende plaag over Egypte.’

Of deze passage een toonbeeld is van zelfkritiek of juist van valse bescheidenheid, is moeilijk uit te maken. De behaagzucht van de verteller in Datumloze dagen is ook Brouwers niet geheel vreemd. Belangrijker is dat Brouwers ook in deze roman weer door de taal dartelt alsof hij alles voor het eerst ontdekt.

Het was mooi geweest als het bovenstaande het laatste was wat er over Datumloze dagen te zeggen viel. Maar als je de metafoor van Nathan als de verbeelding van Brouwers’ schrijverschap tot het einde van de roman serieus neemt dan dringt zich een onaangename conclusie op: dat dit niet alleen de nieuwste, maar ook de laatste roman van Jeroen Brouwers is – of althans dat de auteur zelf het bange vermoeden heeft dat dit het geval is.

Nu is Brouwers er de man niet naar om zich ergens toe te laten dwingen, zeker nu hij in de persoon van Nathan eindelijk een bevrijd personage heeft geschapen. Toch zou je hopen dat de cirkel van dit schrijverschap niet zo rond is als het nu lijkt. Geert van Oorschot is er niet meer, maar er moet toch iemand zijn die volgende lente het moegehuldigde schaap Brouwers zijn stal weer uit en de wei weer in jaagt.

Jeroen Brouwers: In het midden van de reis door mijn leven. Oerboek. Atlas, 192 blz. € 19,90Jeroen Brouwers: Het tuurtouw. Ter herinnering aan Geert van Oorschot. Van Oorschot,68 blz. (1989), uitverkocht]

Rectificatie / Gerectificeerd

Brouwers

In het kader bij de bespreking van de nieuwe roman van Jeroen Brouwers (Boeken, 19.10.2007) is de titel van zijn debuut uit 1967 verkeerd weergegeven. Het boek heet Joris Ockeloen en het wachten.