Een goede Afghaan

Schrijver Arnon Grunberg reist voor de tweede maal door Afghanistan met de Nederlandse troepen daar. Deel acht in een serie.

Ruim een halfuur zijn we nu op de politiepost van Sinha. Het uitzicht vanaf de zanderige heuvel is adembenemend, maar de commandant van de post, de heer Matu Khan, is nergens te bekennen.

In de buurt van Deh Rahwood zijn recentelijk hele politieposten overgelopen naar de vijand. De vijand deed een aantrekkelijk aanbod.

Een majoor vertelde me: „Een goede Afghaan heeft één zoon bij de regering en één zoon bij de Taliban.” In het jargon van de beleggingsadviseur heet dat: spreiding van risico’s.

Een van de schandknapen van de politiepost, een tamelijk mooie jongen, zijn handen zijn rood van de henna vanwege het suikerfeest, zit aan me te plukken.

Elders op de politiepost voeren leden van de het PRT (Provinciaal Reconstructie Team) met behulp van een tolk gesprekken met de Afghaanse politieagenten.

„Wanneer hebben jullie de Taliban voor het laatst gezien?” vraagt een Nederlandse militair.

„We hebben ze al twee maanden niet gezien,” zegt een agent.

Uit een oude cassetterecorder komt Afghaanse muziek.

„Als ze komen, van welke kant komen ze dan?” wil de Nederlandse militair weten.

De politieagent wijst in een richting.

„Waarom staat dat wapen dan de andere richting uit?”

De politieagent zegt dat de Taliban soms ook van die kant komt.

Verder ontbreekt er een groot wapen. Volgens de agenten is het wapen kapot en hebben ze het naar de bazaar gebracht om het te laten repareren.

De Nederlandse militair zegt tegen de tolk: „Zeg hem dat het geen goed idee is wapens op de bazaar te laten repareren.”

Maar de Afghaan stelt dat je wapens op de bazaar goed en goedkoop ter reparatie kunt aanbieden.

Dan zien we een stofwolk. De stofwolk blijkt een auto waarop stickers met bloemetjes zijn geplakt. Uit deze auto komt Matu Khan, de commandant. Hij mist één been, zijn snor is elegant en hij is ongeveer één meter vijfenvijftig. Zonder hulp hijst hij zich naar de politiepost.

Gezeten op een zandzak zegt Matu Khan dat hij duizend dollar nodig heeft voor batterijen en wapens.

„Eerst doe je wat je beloofd hebt te doen, dan krijg je geld,” zegt de Nederlandse militair.

De Afghaanse schandknaap wrijft over mijn handen.

„We kunnen je hier laten,” zegt een ritmeester tegen me, „maar dan heb je morgen een rood sterretje.”

Ik kijk naar de commandant.

Lang nadat de laatste militair van de Navo uit Afghanistan is verdwenen, zal Matu Khan nog op één been door de woestijn schuifelen.