Draagkracht van de Veluwe onzin

Het is onzin om te spreken van de ‘ecologische draagkracht’ van de Veluwe. Die bestaat niet. Laten we liever spreken van maatschappelijk draagvlak, zegt Chris Smit c.s.

Achthonderd wilde zwijnen zou het aantal zijn dat volgens sommigen de natuurlijke draagkracht van de Veluwe vormt. Maar dit getal is onjuist. Er leven momenteel veel meer dieren. Jagers schatten dat nu circa 6.000 dieren aanwezig zijn.

Boeren en campinghouders klagen over dit ‘bovennatuurlijk’ hoge aantal. De dieren laten zich door het hoge voedselaanbod in de bossen niet zien aan de jagers, ondanks lokvoer op de afschotplek.

Het hoge voedselaanbod in de bossen is het gevolg van twee zogenaamde ‘mastjaren’ met veel eikels en beukennootjes. Ook is het leefgebied aanzienlijk vergroot en verbeterd door het beschikbaar stellen van voormalige landbouwgronden. Als gevolg daarvan neemt het aantal zwijnen al jaren toe.

Het getal van 800 zwijnen weerspiegelt een rekenfout. Alleen al op basis van gegevens uit buurlanden is er, uitgaande van lage dichtheden (2 per km2), ruimte voor minstens 2.000 dieren op de Veluwe. Maar nog belangrijker dit: het berekenen van een vaste draagkracht voor een gebied is vanuit ecologische principes onzinnig. Het voedselaanbod reguleert dierpopulaties, niet andersom. Door een fluctuerend voedselaanbod kunnen populaties dus sterk fluctueren, zeker voor een soort als het wild zwijn.

In strenge winters kan een sterfte voorkomen van 30-40 procent. Deze dynamiek is onlangs bevestigd door de internationale commissie (ICMO) die zeer lovend was over het populatiebeheer voor grote grazers in de Oostvaardersplassen. Ook de rechter heeft onlangs geoordeeld dat natuurorganisaties ruimte mogen geven aan dynamiek in grote natuureenheden. Geldt dit ineens niet voor het wilde zwijn op de Veluwe?

Wij vinden dat het tijd is dat de discussie zuiver wordt gevoerd. Het gaat niet om de ecologische draagkracht, maar om het maatschappelijke draagvlak. Zijn we bereid de landbouwschade, de omwoelde campings en de verkeersslachtoffers te aanvaarden? Dit draagvlak is wellicht minder dynamisch dan de fluctuerende aantallen zwijnen die het gevolg zijn van het voedselaanbod.

De jachtstatistieken laten zien dat het al jaren niet lukt het aantal zwijnen aan het eind van een jaar terug te brengen naar de gewenste stand (‘nulstand’) van dat jaar. Een van de conclusies van een symposium over wilde zwijnen (‘Wilde Zwijnen in Nederland: zero tolerance of weren en beheren’, Wageningen 2006) was dan ook dat het beter is te proberen gevoelige gebieden met een gering maatschappelijke draagvlak ‘zwijnvrij’ te houden door uitrasteren en plaatselijk afschot, dan krampachtig jagers het twijfelgetal 800 voor de hele Veluwe proberen te laten halen.

Nederland loopt voorop in Europa wat betreft natuurbeheer en natuurontwikkeling. Laten we reden houden om hier trots op te blijven.

Dr.ir. Chris Smit, dr.ir. Jasja Dekker, dr.ir. Joris Cromsigt en dr. D.P.J. Kuijper zijn als dierecologen verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.