De puzzel van het wonderkind

Na een biografie van Alan Turing te hebben geschreven, komt David Leavitt nu met een roman over een ander genie uit de wiskundegeschiedenis. Het boek wordt beter naar mate Leavitt meer verzint.

David Leavitt: The Indian Clerk. Bloomsbury, 485 blz. € 25,99

Eind januari 1913 loopt in Cambridge de vooraanstaande mathematicus G.H. Hardy opgewonden binnen bij zijn al even vermaarde collega J.E. Littlewood om hem een brief te laten zien die zojuist is bezorgd. De brief komt uit India en de afzender is ene Srinivasa Ramanujan, een kantoorbediende uit Madras die zich in zijn vrije tijd intensief met wiskunde bezighoudt en nu wil weten of de resultaten van zijn onderzoekingen het waard zijn gepubliceerd te worden. Hardy en Littlewood begrijpen meteen dat ze met een genie te maken hebben en stellen alles in het werk om Ramanujan naar Cambridge te krijgen. Hun jonge, pasgetrouwde collega Neville staat toevallig op het punt om met zijn vrouw voor een lezingentournee naar India af te reizen en krijgt de opdracht Ramanujan op te zoeken en mee terug te nemen naar Engeland.

Het bovenstaande is niet alleen een korte samenvatting van de eerste hoofdstukken van The Indian Clerk, de nieuwe roman van David Leavitt, maar het is ook een beroemde episode uit de geschiedenis van de wiskunde. Met andere woorden, alle genoemde figuren in de roman hebben echt bestaan; als de wiskundegeschiedenis een eigen canon heeft, hebben de brief van Ramanujan, zijn komst naar Cambridge en zijn vruchtbare samenwerking met Hardy ongetwijfeld een eigen venster.

Leavitt, die in 1984 doorbrak met de verhalenbundel Family Dancing en romans schreef als The Lost Language of Cranes en The Pageturner, publiceerde in 2006 The Man Who Knew Too Much, een biografie van Alan Turing, de Britse wiskundige die aan de wieg van de computer stond. Blijkbaar was hij nog niet helemaal klaar met de wiskunde, want nu schreef hij een roman over het leven van Ramanujan, een van de grootste wiskundige genieën aller tijden.

Het is een tragisch verhaal, dat Leavitt op geserreerde wijze vertelt. De echte hoofdpersoon is niet Ramanujan, maar zijn mentor G.H. Hardy, een gereserveerde homoseksuele wetenschapper, die weinig van Ramanujan begrijpt en zich vooral interesseert voor diens wiskundetalent. Ramanujan heeft op zijn beurt grote moeite met Cambridge, waar men vreemd aankijkt tegen zijn huidskleur en zijn eetgewoonten. Zijn gezondheid gaat snel achteruit, hij doet een zelfmoordpoging en belandt in een sanatorium. In 1919 keert hij terug naar India, waar hij in 1920 op 32-jarige leeftijd sterft.

Dat The Indian Clerk niet helemaal overtuigt, komt doordat de roman leest als een biografie, alsof Leavitt zich na het schrijven van The Man Who Knew Too Much nog niet helemaal aan de biografische manier van schrijven heeft ontworsteld. Door middel van terugblikken, brieven en gesprekken wordt er zo veel mogelijk biografische informatie over de hoofdpersonen verstrekt, wat soms geforceerd aandoet.

Straten

Als de vrouw van Neville tijdens de lezingentournee van haar man in Madras Ramanujan ontmoet, schrijft ze een brief over die ontmoeting waarin ze nauwgezet de straten opnoemt waarin Ramanujan heeft gewoond. Namen als Sarangapani Sannidhi Street en Hanumantharayan Koil Street heeft ze tijdens dat gesprek blijkbaar meteen in haar geheugen opgeslagen. Verder worden in het boek ontmoetingen met personen als Ludwig Wittgenstein, Bertrand Russell en D.H. Lawrence beschreven die volgens de verantwoording achterin het boek inderdaad hebben plaatsgevonden, maar in het verhaal verder geen functie vervullen.

Het lijkt erop dat Leavitt moeite heeft gehad zich te beperken, en het liefst alles wat hij in de archieven en de literatuur aantrof in zijn boek heeft willen stoppen. Zo duikt er aan het einde van het boek opeens een nieuwe bijfiguur op, de breedsprakige S. Ram, die Ramanujan in het sanatorium opzoekt en een eindeloze woordenvloed over hem uitstort. Deze plotselinge verschijning trekt het verhaal, vlak voor het doek valt, alsnog uit het lood. In zijn verantwoording schrijft Leavitt dat S. Ram ‘astonishingly enough’ echt heeft bestaan en dat hij diens woordenvloed heeft gebaseerd op de brieven die Ram aan Ramanujan stuurde. Leavitt heeft de verleiding niet kunnen weerstaan om deze vondst in zijn boek te verwerken, al is daar eigenlijk geen ruimte voor.

Toch heeft Leavitt wel degelijk geprobeerd een roman van zijn verhaal te maken. Zo introduceert hij een aantal vragen (is Hardy verantwoordelijk voor het glazen oog van zijn zuster? Hoe is zijn vorige minnaar precies aan zijn einde gekomen?) waaraan herhaaldelijk wordt gerefereerd en die pas tegen het einde van het boek worden beantwoord. Maar die keurig ingeloste spanningsbogen lopen iets te veel in het oog, en het blijken riskante constructies: wat er aan spanning gewonnen wordt, gaat ten koste van de diepgang van de personages. Hardy was een completer karakter geworden als we eerder hadden geweten waarom zijn minnaar zelfmoord pleegde en hoe hij er als kind voor zorgde dat zijn zuster een oog kwijtraakte.

Bronnen

In zijn verantwoording schrijft Leavitt dat hij ‘honderden bronnen’ heeft geraadpleegd. Ook de zelfmoord van Hardy’s minnaar en het glazen oog van zijn zuster zijn aan de werkelijkheid ontleend. Maar bij alle historische gegevens die Leavitt in The Indian Clerk heeft verwerkt, zijn het juist de fictieve elementen die de personages levensecht en overtuigend maken, zoals de verzonnen passage waarin Leavitt Hardy tijdens de Eerste Wereldoorlog verliefd laat worden op een soldaat die wordt verpleegd in een noodhospitaal op het terrein van de universiteit. Tijdens hun hartstochtelijke verhouding worstelt Hardy met kwesties als seks en het standsverschil tussen hem en de soldaat. En hoe meer hij worstelt, hoe menselijker hij wordt.

Het karakter dat nog het meest baat heeft bij de fantasie van Leavitt is Alice Neville, die haar man naar Madras vergezelt als hij Ramanujan gaat ophalen. Ze vat een verwarrende en bezitterige liefde op voor de Indiër, die tijdens de eerste weken van zijn verblijf in Engeland bij haar en haar man inwoont. Ze leert hem liedjes van Gilbert en Sullivan, maakt een legpuzzel met hem (die ook als de Indiër een eigen kamer in Cambridge heeft gekregen, nog lang op de salontafel blijft liggen) en doet zelfs een poging hem te verleiden. Ondertussen vervreemdt ze steeds meer van haar man. Dat juist Alice Neville, over wie volgens de verantwoording weinig informatie was terug te vinden, het interessantste personage uit The Indian Clerk is geworden, maakt dit boek tot een indirect pleidooi voor de verbeelding van de schrijver en de overtuigingskracht van literatuur.