Beurscrash bleek rimpeling

Precies twintig jaar geleden crashten de beurzen. Het was de eerste ‘moderne’ beurskrach: zonder grote gevolgen voor de werkelijke economie.

In een beurscrash is iedereen gelijk. Voor kleine en grote beleggers, handelaren, ondernemingen en financiële roergangers was 19 oktober 1987, vandaag twintig jaar geleden, de langste dag.

Het was een maandag. De koersdalingen die in Tokio en Hongkong op gang kwamen, werden in Europa een koersval en kregen in New York de genadeklap. De Dow-Jonesindex, de toonaangevende Amerikaanse beursgraadmeter, verloor 508 punten en kelderde met 22,6 procent naar 1.739.

Nog steeds een record.

Terwijl de koersen kelderden zagen handelaren op hun beeldschermen het nieuws uit het Midden-Oosten: Amerikaanse kanonneerboten schoten twee Iraanse olieplatforms in brand. Soms heeft strijd in Amerika een koersopdrijvend effect. Deze keer niet.

De dag daarna was desastreuzer. Na een kortstondige koersopleving viel de handel in aandelen en termijncontracten zo goed als stil. Wel verkopers, geen kopers. Sommige markten sloten. De pas twee maanden eerder benoemde voorzitter van het stelsel van Amerikaanse banken, de onbekende Alan Greenspan, probeerde met een verklaring van één zin de markten gerust te stellen. De Amerikaanse centrale bank zou alles doen om het economische en financiële systeem te steunen. Zijn topmedewerkers belden de grote banken om hen te overreden hun kredieten aan de grote financiële handelshuizen niet in te trekken. De zakenbanken belden hun bedrijfsklanten met het advies snel aan te kondigen dat zij grootscheeps hun eigen aandelen op de beurs zouden kopen. Als beleggers kopschuw waren, moesten de bedrijven zelf maar koopjes gaan jagen. En The Wall Street Journal ontdekte later dat de enige beursgraadmeter waarin de handel in de loop van de ochtend nog niet was stilgevallen een onverklaarbaar herstel vertoonde. Vanuit New York kochten onbekende partijen deze index, die door zijn koppeling aan de grote graadmeters ook daar voor herstel zorgde. Per saldo sloot de Dow-Jonesindex die dag met 102 punten winst.

De paniek op de markten kostte de zakenbanken die deelnamen aan de laatste fase van de privatisering van British Petroleum een vermogen. De prijs die zij hadden afgesproken met de verkoper, de Britse overheid, lag inmiddels ver boven de koers waartegen zij de aandelen op de markt konden verkopen. Pech gehad, zei de Britse minister van Financiën. Dat is jullie risico. Dank je wel, zeiden de kiene beheerders in Londen van het beleggingsfonds van Koeweit. Zij kochten de aandelen die niemand wilde hebben en bleken een paar maanden later meer dan 22 procent van BP te bezitten. De Britse regering was not amused, maar kon weinig doen. Het Kuwait Investment Office verdiende een fortuin door de BP-aandelen mondjesmaat tegen stijgende koersen door te verkopen.

In Amsterdam werd het hoekmansbedrijf Mellegers & Van den Elsakker in de koersval meegesleurd. Einde bedrijf. Hun nis op de beursvloer bleef donker. Maar verderop, aan de Keizersgracht, openden net die week twee oude rotten in het beleggingsvak, Ruurt Hazewinkel en Peter Meyer Swantée, hun eigen effectenkantoor genaamd Optimix.

Wat was de oorzaak van de krach en wat zouden de gevolgen zijn? Zou de geschiedenis zich herhalen en zou, net als na de beurskrach van 1929, een grote depressie volgen met massawerkloosheid en politieke polarisatie?

De overeenkomsten tussen 1987 en nu zijn legio. Grote overnames in het bedrijfsleven, een groot Amerikaans handelstekort, speculeren met geleend geld.

Al hebben talloze economen zich later gewaagd aan uitleg over de oorzaken, bevredigend was niets. Ja, er waren spanningen tussen de grote industrielanden over de koers van de dollar en het rentebeleid. Ja, de week ervoor waren de koersen in Amerika al gedaald. Ja, de vrijdag ervoor was Zuid-Engeland getroffen door een kleine orkaan, waardoor handelaren hun kantoor niet bereikten en de maandag daarop nog met grote pakketten aandelen zaten. Ja, speculatie op nog verdere koerswinsten was aan de orde van de dag.

De crash van 1987 ontpopte zich als de eerste moderne beurskrach: een serie financiële schokken die weinig invloed had op de werkelijke economie. De wereld van beleggers en financiële handel bleek redelijk los te zijn gekomen van de economie van productie, consumptie en banen. Krachtige renteverlagingen, geldinjecties en adequaat crisismanagement bleken voldoende om het vertrouwen te herstellen. Per saldo was 1987 voor beleggers een jaar van koerswinst. De financiële schokken zouden zich op onregelmatige tijden herhalen: in oktober 1989, begin 2004, in 1998, in 2002/2003 en eerder dit jaar toen de Amerikaanse hypotheekcrisis uitbrak.

Achteraf gezien was de crash van 1987 een kortstondige lijn omlaag in een scherp stijgende grafiek. De grote beursrally die in 1982 was begonnen met een rentedaling hernam haar kracht. 25 maanden na de koersval van 19 oktober viel de Muur. Nu schommelt de Dow-Jones rond 14.000. Zoals de Amerikaanse president Ronald Reagan op 19 oktober zei toen hem om een reactie op de koersval werd gevraagd: „Het is maar een tijdelijke correctie.”