Alleen in Haarlem kon je lachen

‘Hollanders in beeld’ in het Mauritshuis toont zestig portretten van de gegoede burgerij in de Gouden Eeuw. De soberheid is bedrieglijk. Zwarte kleding, van zeer kostbaar fluweel.

Jan de Bray: ‘Dubbelportret van Salomon de Bray en Anna Westerbaen’, 1664 collectie National Gallery of Art in Washington

Het kostbaarste Nederlandse kunstvoorwerp in particulier bezit bevond zich tot voor kort niet in een bankkluis of in een zwaar beveiligd museum, maar in een huiskamer. Dankzij de Nederlandse gewoonte de gordijnen open te houden was het zelfs vanaf de straat te zien, op 700 meter van de plek waar het in 1664 was gemaakt: Rembrandts portret van Jan Six. Het hing in het Sixhuis aan de Amstel en wie een beetje op zijn tenen ging staan kon het door een van de ramen van het grote herenhuis zien hangen. Het zal daar ook weer terugkeren wanneer de de restauratie van het Sixhuis is voltooid en de tentoonstelling Hollanders in beeld in het Mauritshuis zal zijn geëindigd. Want daar hangt het, in het hart van een mooie tentoonstelling, samen met 59 andere voorbeelden van de Nederlandse portretkunst uit de zeventiende eeuw.

Het portret van Jan Six is slechts een enkele maal eerder geëxposeerd, maar toch is het wereldberoemd: door de faam van zijn maker, maar ook door de kracht van de vele reproducties. Zelfs op ansichtkaartformaat. Wie er nu voorstaat kan alleen maar beamen dat die roem terecht is. Om de gedurfde, bijna achteloze manier van schilderen waardoor een man van vlees en bloed is neergezet uit wiens houding en blik een allure spreekt die correspondeert met het karakter van de geportretteerde zoals dat uit de historische bronnen naar voren komt. Een man uit de toplaag van de Amsterdamse burgerij, uitstekend opgevoed, internationaal georiënteerd en schatrijk. Een gentleman aan wie twee jaar voor dit schilderij ontstond, de Nederlandse vertaling van Castigliones Libro del cortegiano (De Volmaeckte Hovelinck) was opgedragen.

Deze tentoonstelling toont

zestig portretten van dertig schilders, die op Six en enkele andere na alle wel eerder te zien zijn geweest. Er zijn geen onverwachte vondsten gepresenteerd, geen ontdekkingen uit een vergeten kasteel of teruggevonden doeken uit een museumdepot. In die zin is het een veilige expositie, met veel stukken van de organiserende musea, de National Gallery in Londen en het Mauritshuis. De opstelling is ongeveer chronologisch zodat de ontwikkeling in stijl en compositie min of meer te volgen is.

Dat die traditie er was is op zich al bijzonder en eigenlijk is die ook nooit afdoende verklaard. Waarom werden juist in Nederland zoveel portretten zijn gemaakt? Het moeten er in die zeventiende eeuw honderdduizenden zijn geweest, waarvan er nu nog tienduizenden bekend zijn. Portretten hadden een memoriefunctie: het nageslacht kon de voorouders in herinnering houden. En wie zich liet portretteren bracht daarmee ook zijn status tot uitdrukking, hetzij in openbare gelegenheden als schuttersdoelen, overheidsgebouwen of sociale instellingen, hetzij thuis waar men een vooroudergalerij kon aanleggen. Maar die behoefte was er in andere landen ook en toch lieten daar niet zoveel burgers zich portretteren.

De schilders konden er goed van leven. In steden als Amsterdam, Haarlem, Leiden, Delft, Utrecht, Den Haag en Middelburg was altijd wel een tiental portretschilders actief, maar ook in de kleinere plaatsen als Hoorn, Enkhuizen, Alkmaar. Overal vanaf het begin van de zestiende eeuw ziet men hun métier tot wasdom komen. Dat betekende ook dat in de concurrentieslag specialisering nodig was. Zo kennen we schilders van groepsportretten, dubbelportretten, ruiterportretten, kinderportretten. De opdrachtgever kon kiezen voor zittend, staand, een borststuk of alleen de kop en dat alles met of zonder attribuut, met of zonder familiewapen, levensgroot of op miniatuurformaat, rond, rechthoekig of achtkantig. Alles had zijn prijs en van al die varianten zijn in Den Haag voorbeelden te zien.

Dat er vooral oude bekende werken hangen wil niet zeggen dat er geen verrassingen zijn. Restauraties en combinaties werpen nieuw licht op bekende schilderijen. Van Frans Hals zijn de twee portretten van meneer en mevrouw Olycan uit het Mauritshuis gerestaureerd. Dat betekent niet alleen dat nu veel beter dan voorheen te zien valt hoe knap hij hun donkere kleding in alle schakeringen heeft weergegeven, maar ook dat twee later toegevoegde wapenschilden zijn geretoucheerd zodat de oorspronkelijke compositie weer goed tot zijn recht komt. Ook de hereniging van dubbelportretten waarvan de afzonderlijke delen lang geleden uit elkaar zijn geraakt is een verrassing. Zo is het portret van een heer door Thomas de Keyser uit Parijs herenigd met dat van zijn echtgenote uit Berlijn.

De selectie is gebaseerd

op de top van de eigen collecties en verder op de smaak der conservatoren en bijgesteld door praktische factoren. Rembrandt met negen stukken en Frans Hals met elf worden gepresenteerd als de grootmeesters van het genre. Representatief voor de hele Nederlandse portretkunst is deze tentoonstelling niet. Men heeft op kwaliteit gekozen, voor de eredivisie, en het merendeel der schilders behoorde daar destijds niet toe.

Over bepaalde keuzen valt te twisten. Waarom niet een groepsportret van vrouwen, waarom drie schilderijen van de Haarlemmer Jan de Bray en slechts één van zijn stadgenoot Verspronck? Waarom dat grote, volgepropte familieportret van Jan Mijtens waarin de afzonderlijk gezinsleden zonder enig onderling contact in het vlak zijn geplaatst? En waarom dat dulle vrouwenportret van Caspar Netscher? Sommige schilderijen zijn niet eens zo geslaagd als portret, maar eerder als kostuumverbeelding. Pieter Codde bijvoorbeeld heeft een echtpaar wat onhandig in de ruimte neergezet; hun hoofden zijn nauwelijks expressief te noemen, maar die kostuums zijn wel weer fantastisch geschilderd.

Met welk deel van het toenmalige Nederland staan we hier nu eigenlijk oog in oog? Het zijn, zoals de titel aangeeft, ‘Hollanders’. Ze komen, op een enkele Overijsselaar door Gerard ter Borch na, ook allemaal uit Holland. Het zijn gegoede burgers uit de steden en ook daarvan is het maar een fractie, namelijk die burgers die zich ook werkelijk met al hun rijkdom wilden laten vereeuwigen Er valt hier geen embarrassment of riches te bekennen. Integendeel. Dat hun zwarte kleding op soberheid zou wijzen is een misvatting. Wie goed kijkt en wie de kostuumhistorische commentaren in de catalogus leest ziet een grote variatie in wambuizen, broeken, kousen, schoenen, kousen, hemden, lijfjes, kragen, jurken en japonnen. Het is voor een groot deel wel zwart, maar dan wel een kostbaar zwart, een rijke schakering van zijde, fluweel en satijn, vakmatig bewerkt, subtiel afgezet met kant. Degenen die deze extravagantie een doorn in het oog was lieten zich vermoedelijk niet eens portretteren; ze vermaanden slechts. Een citaat uit de catalogus, daterend uit 1673, rept van broeken die flodderen als vrouwenrokken, van lange schoenen en hoge hoeden, en dat alles „tot groote overdaet en verquistinge”.

Deze tentoonstelling brengt een deel van de Hollandse burgerij van toen dus zeer nabij, althans wanneer men daarbij bedenkt dat er altijd een mate van idealisering een rol gespeeld moet hebben. De gezichten zijn vrijwel altijd egaal van huid, terwijl toch menig burger onregelmatigheden in het aangezicht moet hebben gehad: pokputten, wratten, littekens en andere schoonheidsfeilen. De geportretteerden staan er ook altijd ernstig en beheerst op. Jan Six is niet de enige die een vanzelfsprekende zelfbeheersing uitstraalt. Dat maakt het ook zo intrigerend waarom de Haarlemmer Frans Hals een eenling is gebleven in zijn lange schildercarrière van zo’n zestig jaar om zijn opdrachtgevers zo los, zo ongedwongen, zo blij weer te geven. Hij en enkele stadgenoten, zoals de niet aanwezige Judith Leyster en de al genoemde Jan de Bray, die hier onder andere vertegenwoordigd is met het ontspannen, levendige portret van de uitgever Abraham Casteleijn en zijn vrouw. Alleen zij hebben deze ongedwongenheid vastgelegd, de glimlach, de opgekrulde snor, de twinkelogen, de voorgestelde wippend op zijn stoel. Alsof er die hele eeuw door alleen in Haarlem werd gelachen.

Hollanders in beeld is gewoon een tentoonstelling die iedereen moet gaan bekijken. Hier hangt echt de top van wat Nederlandse schilders vermochten. En dan te bedenken dat er tientallen zo niet honderden portretten zijn die hetzelfde niveau bezitten.

Hollanders in beeld. Portretten uit de Gouden Eeuw. in het Mauritshuis tot 13 januari 2008. De catalogus kost euro 29,95 en euro 39,95 (hardcover).