Alleen in deeltijd gek

Sam Gerrits en Wouter Kusters: Alleen. Berichten uit de isoleercel. Lemniscaat, 228 blz. € 24,95

Daniel B. Smith: Muses, madmen, and prophets. Penguin, 254 blz. € 25,99

Dertig jaar geleden, op het hoogtepunt van de antipsychiatrie, heetten psychiaters de ‘beulsknechten van de bourgeoisie’. Het stof van die enerverende jaren leek voorgoed neergeslagen, maar de laatste jaren herleeft de kritiek op de psychiatrie. In Alleen. Berichten uit de isoleercel noemen Sam Gerrits en Wouter Kusters de isoleercel een ‘substituut voor werkelijke zorg’. In Nederland wordt meer geïsoleerd dan in veel andere landen, maar Alleen is geen pleidooi om alle isoleercellen af te breken. De auteurs willen vooral tegenwicht bieden aan de ‘geestdodende taal’ van de ‘biopsychiatrie’, en daar slagen ze goed in.

Gerrits schrijft helder en geestig over zijn teloorgang van levenslustig student tot psychiatrisch patiënt. Waant hij zich tijdens zijn psychose nog een Tyrannosaurus Rex , tijdens zijn opname slaat de kater snel toe. Op een zonnige dag schuifelt hij, met een begeleider en kwijlend van de pillen, rond door de stad. De meisjes willen niets van hem weten. ‘Mijn aandeel is gekelderd’, sombert Gerrits. ‘Van potentiële minnaar tot ziekelijk, afstotelijk dier.’

Ook de Amerikaanse journalist Daniel B. Smith trekt ten strijde tegen het ‘medisch model’ in de psychiatrie. In Muses, madmen, and prophets betoogt hij dat het horen van stemmen een universeel fenomeen is. Helaas reduceerden psychiaters het horen van stemmen rond 1850 tot ‘auditieve hallucinaties’. Daarmee werden stemmenhoorders bang om over hun ervaringen te praten.

Smith ontleent zijn verhaal voor een belangrijk deel aan een Nederlandse psychiater: de Maastrichtse emeritus hoogleraar Marius Romme, die een vergelijkbaar betoog voerde in het boek Stemmen horen accepteren (1990). Romme pleitte ervoor om patiënten te leren praten over hun ervaringen en stimuleerde ze om met hun stemmen in dialoog te treden. Zo konden ze de controle over hun bewustzijn herwinnen.

Smith sympathiseert hiermee. Zijn vader hoorde ook stemmen, maar wilde daar nooit over praten. Hij was bang gek te worden verklaard en daarmee een maatschappelijk doodvonnis te krijgen.

Weerzin tegen de sociale uitstoting van psychiatrische patiënten lijkt de motor achter de ‘neo-antipsychiatrie’ van Smith, Kusters en Gerrits. Smith noemt het wat plechtig onze plicht als medemens om beter naar stemmenhoorders te luisteren. Ook Gerrits wil graag serieus genomen worden. ‘Ik ben dan misschien parttime gek’, schrijft hij, ‘maar in de tijd daartussen ben ik een weldenkend mens als ieder ander. Behandel me alsjeblieft niet alsof ik permanent niet meer kan nadenken.’ Dat blijft een belangrijk geluid.