Van de oude man en de angst

J.M. Coetzee: Dagboek van een slecht jaar. Vertaald door Peter Bergsma. Cossee, 190 blz. € 22,90

J.M. Coetzee schrijft opvallend vaak over kracht en de beperkingen van het lichaam. Ook in zijn nieuwe ‘roman’ Dagboek van een slecht jaar is de fysieke staat van de hoofdpersoon behoorlijk beroerd – als je hier al van een roman kan spreken. Het boek is een bundel essays van een soort postmoderne Montaigne die zijn overwegingen voorziet van relativerend commentaar.

De structuur is opvallend: elke pagina valt in drie delen uiteen. De eerste laag bestaat uit essays van de schrijver die hij samenstelt voor een bundel met ‘Uitgesproken meningen’. Daaronder staat het dagboek van de schrijver. Hij vertelt hier over de gesprekken met Anya, de secretaresse die hij inhuurde om het fysieke schrijfwerk te doen. En onder dat boek staat de derde laag, geschreven vanuit het perspectief van Anya die met haar vriend Alan praat over ‘haar’ schrijver.

In Coetzee’s werk stond de kracht van het lichaam meestal gelijk aan het hebben van de macht: politiek en lijden waren onlosmakelijk verbonden en wie lijdt, begrijpt, leek Coetzee te willen zeggen. In ‘Uitgesproken meningen’ rest de onmachtige schrijver slechts nog ‘een kans om magische wraak op de wereld te nemen omdat ze zich niet aan mijn fantasieën wenste aan te passen (...)’

Aan welke fantasieën hadden wij ons volgens Coetzee moeten aanpassen? De schrijver van ‘Uitgesproken meningen’ valt namelijk grotendeels samen met Coetzee. Maar aan zijn compromisloze beeld van de wereld pas je je nu niet bepaald graag aan. Bovendien heeft de werkelijkheid in ‘Uitgesproken meningen’ verdacht veel weg van die in Wachten op de Barbaren, waarin de autoriteiten tot een preventieve oorlog besluiten omdat ze willen ingrijpen voordat de ‘barbaren’ toeslaan. De wereld waarin angst wordt gestuurd, is een rode draad door de essays van ‘Uitgesproken meningen’.

Volgens de schrijver daarvan worden we in het Westen opgezadeld met een schande waar we ons geen houding tegenover kunnen aanmeten. ‘Niet alleen gewetensvolle Amerikanen maar ook individuele westerlingen in het algemeen moeten zich ten doel stellen om [...] manieren te bedenken om hun eer te redden, wat tot op zekere hoogte hetzelfde is als je zelfrespect bewaren, maar ook een kwestie van niet met vuile handen voor de rechtbank van de geschiedenis te hoeven verschijnen.’

De Engelsen ontliepen die ‘rechtbank van de geschiedenis’ door te vergeten wat er in het koloniale verleden is gebeurd. De Amerikanen gaan nog een stap verder: ze wissen de geschiedenis uit: ‘geen archieven, geen lichamen’. En met het laten verdwijnen van de gevolgen van hun daden creëren ze een werkelijkheid waarin geen ruimte meer is voor individuele verbeelding, alleen voor de verbeelding van de staat. En wat kan dan de rol van de schrijver nog zijn?

De schrijver zelf komt tot een sombere conclusie: ‘Leer zonder gezag te spreken’, zegt hij Kierkegaard na. Dat kan alleen maar geïnterpreteerd worden als een teleurstelling voor iemand die zijn lezers en de wereld wilde confronteren met zijn magische wraak. Het verklaart wel waarom de drie verhaallijnen parallel lopen: in deze indrukwekkende ‘roman’ heeft zo ieder z’n perceptie op de werkelijkheid, zonder dat de een meer gezag heeft dan de ander. Het is geen vrolijke conclusie na een slecht jaar. De schrijver produceert slechts gekrabbel in de marge – meer kan zijn kunst niet uitrichten tegen de opgelegde ‘verhalen’ door een staat.