Piranha go home!

Wat doet Bush in Irak? Waarom houdt het geweld in Israël nooit op? In een ambitieus boek vol analyse en activisme rekent Naomi Klein af met de gedachte dat vrije markt en democratie hand in hand gaan.

Naomi Klein: The Shock Doctrine. The Rise of Disaster Capitalism. Allen Lane, 558 blz. € 16,–. De Nederlandse vertaling (De shockdoctrine), van M. Stoltenkamp is bij De Geus verschenen, € 24,90

Ze snapten er niets van, de verzamelde wereldleiders, afgelopen januari bijeen voor hun jaarlijkse onderonsje in Davos. Het leek wel alsof er niets meer over was van hun idee dat de economie bloeit in tijden van vrede. Want nu, met burgeroorlog in Afghanistan en Irak, Amerika in een politieke impasse, mislukte WTO-onderhandelingen en een Iran met nucleaire ambities, lieten de beurzen toch stabiele groei zien. Het leek wel alsof stabiliteit voor economische groei niet langer nodig was.

De Canadese onderzoeksjournaliste Naomi Klein begrijpt het wel. ‘De wereld gaat naar de hel en de economie schreeuwt haar goedkeuring uit,’ schrijft ze in haar ambitieuze The Shock Doctrine. Het boek is een afrekening met het idee dat vrije markt en democratie hand in hand gaan. Centrale schurk is Nobelprijswinnaar Milton Friedman, de peetvader van het neoliberalisme en een van de invloedrijkste economen van de 20ste eeuw.

Voortbouwend op Friedmans eigen adagium dat een schok kansen biedt voor werkelijke verandering, stelt Klein dat strikt neoliberale economische programma’s – vergaande privatisering, minimale staatsbemoeienis en nauwelijks sociale vangnetten – juist steeds onder dwang zijn opgelegd. Haar bewijsmateriaal omvat drie decennia recente geschiedenis. Van het Chili van Pinochet tot het Rusland van Jeltsin, van de uitverkoop aan projectontwikkelaars van Sri-Lankaanse stranden na de tsunami, tot de wederopbouw-maar-dan-anders van New Orleans na orkaan Katrina.

The Shock Doctrine is daarmee krachtige munitie in de pr-oorlog tussen antiglobalisten enerzijds en ‘neocons’ en internationale haute finance anderzijds. Het boek leest als het inktzwarte antwoord op Francis Fukuyama’s optimistische lezing van het einde van de geschiedenis, uit 1989. Fukuyama claimde dat na het vallen van de muur niets de opmars van vrije markt en vrije mens meer in de weg stond; overal ter wereld zouden volkeren als vanzelf vrijhandel en democratie omarmen.

Zeven jaar geleden werd ze wereldberoemd met No Logo, een aanklacht tegen de praktijken van multinationals in derde wereldlanden en de macht van hun merken in de westerse wereld. Na de protesten bij de wereldhandelstop in Seattle van 1999 was het antiglobalisme op zijn hoogtepunt, jongeren ontdekten dat je afzetten tegen Starbucks hipper was dan er koffiedrinken.

In The Shock Doctrine, dat ze publiceert met een cordon advocaten om zich heen, valt Klein firma’s aan als Halliburton en Blackwater, voor wie de oorlog in Irak core business is. Onvermoeibaar pluist ze de cv’s na van CEO’s en ministers, traceert ze de connecties van rechtse denktanks en legt zo de enorme economische belangen bij de War on Terror bloot. Ze rekent na hoeveel Cheney en Rumsfeld, grootaandeelhouders van respectievelijk Halliburton en Gilead (het biotechbedrijf dat het vaccin tegen vogelgriep maakt), er aan verdienden. Maar ook helden van links moeten het ontgelden.

Huurlingenbranche

Het gewaagdst is het laatste gedeelte van haar boek, waarin ze beschrijft hoe in de nadagen van 9/11 de regering Bush oorlogvoering – defensie, hulpverlening, reconstructie en niet te vergeten beveiliging – volledig uitbesteedde. De huurlingenbranche alleen al is volgens schattingen inmiddels vier miljard dollar waard. De ‘security bubble’ is volgens Klein in omvang Hollywood en de muziekindustrie al voorbijgestreefd. Het spreekt vanzelf dat de sector drijft op de permanente geweldsdreiging van de War on Terror.

Dit ‘rampenkapitalisme’ heeft van Amerika een ‘corporatist state’ gemaakt. De politieke en de economische elite zijn er gefuseerd, voor de betrokkenen een win-winsituatie die volgens Klein vergaande consequenties heeft. Voor corporatist states is het verspreiden en bestrijden van chaos, een perpetuum mobile van gewelddadige vernietiging en reconstructie, een lucratieve bezigheid. ‘Rampkapitalisten bidden om crisis zoals een boer om regen.’

Dat het democratisch project in Irak mislukte, is volgens Klein dus geen wonder. Het was niet bedoeld als democratisch, maar als economisch project, met vrijheid niet zozeer voor Irakese burgers als wel voor buitenlandse investeerders. Een nieuwe oliewet, in februari te midden van het geweld onopvallend door het ‘parlement’ geloodst, gaf het beheer over de olievoorraad bijvoorbeeld niet aan de Irakese regering maar aan ‘een commissie van externe en interne experts’. Economisch gezien, stelt Klein, is de oorlog dus niet uit de hand gelopen. Integendeel, die oliewet garandeert dat de buit in de juiste richting blijft stromen, ook als het Amerikaanse leger zich terugtrekt.

Israël is voor Klein het afschrikwekkendste voorbeeld van zo’n bedrijfsstaat-in-een-staat, een fort met buiten de muren het ‘surplus aan menselijkheid’ dat economisch overbodig is. De Israëlische politieke situatie is rampzalig, de economie draait prima. Sinds 9/11 tekende de hele westerse wereld contracten met Israël voor bewakingscamera’s, scanapparatuur en trainingen voor bewakingspersoneel. Het Israëlische Elbit is partner van Boeing bij de bouw van het hek dat de VS langs de grens met Mexico aanlegt.

Het is hier dat The Shock Doctrine Orwelliaanse trekken aanneemt, maar het is ook hier dat Klein zich van een sterke kant toont – een analiste die andere vragen stelt dan de rest. Ze vraagt zich niet af wat er misging in Israël en Irak, maar onderzoekt wie er baat heeft bij de huidige situatie. Haar antwoorden zijn provocerend, maar logisch en goed gedocumenteerd. Hoe komt het dat de oorlogen van tegenwoordig het karakter hebben van gewelddadige patstellingen? It’s the economy, stupid!

Een ‘bom onder het vrijheidsbeeld’, en ‘een bliksemstraal’ is The Shock Doctrine al genoemd, alsof het alleen in termen van schok beschreven kan worden. Die centrale metafoor van de schok biedt Klein de kans de economische geschiedenis als een thriller te presenteren en is zo – onvermijdelijk – logo van dit boek. Klein neemt Friedmans metafoor letterlijk, en gaat als ware ze Susan Sontag op zoek naar de implicaties ervan. Zo legt ze het verband tussen het ontstaan van Milton Friedmans Chicago School in de jaren vijftig en de door de CIA betaalde experimenten met brainwashing die in die jaren werden uitgevoerd aan de McGill-universiteit in Quebec. In de Koude Oorlog werden daar psychiatrische patiënten met elektroshocks behandeld, om ze in modelburgers te veranderen.

In Kleins ogen hebben de neoliberale shockprogramma’s van de voorbije decennia hetzelfde gepoogd: hele bevolkingen pijn en verwarring toebrengen, om zo de wereld te herscheppen naar een utopisch ideaal. Tegenstanders, in Chili in 1973 en het Irak van nu, werd met elektroshocks het zwijgen opgelegd. In Polen zit de kersverse Soldidarnosc- regering in 1990 met de handen in het haar, een bijna failliet land en een torenhoge schuldenlast. Gelukkig is daar Jeffrey Sachs, die de nieuwe regering hulp in ruil voor herstructurering belooft. In China wil de elite maar al te graag de eigen levensstandaard verhogen zonder macht te verliezen. In Rusland kijken de VS in 1994 toe tijdens de ‘economische meltdown’, waarna Jeltsin de ‘communistische staat vervangt door een corporatistische’.

Achterkamers

The Shock Doctrine leest als een inktzwarte alternatieve economische geschiedenis van de laatste vijfendertig jaar. Het is daarnaast een fascinerend bericht uit achterkamers en boardrooms, waar een topeconoom tijdens een brainstormsessie oppert dat het opwekken van een crisisje geen kwaad kan om wat handige veranderingen door te voeren. Maar behalve sensationeel is de geschiedenis soms ook banaal. ‘We wisten te weinig van economie,’ zo citeert Klein een ANC-er naar aanleiding van de ontwikkelingen in Zuid-Afrika na 1994, ‘en we dachten dat we eventuele concessies later wel konden terugdraaien’. Hier blijkt de boosdoener niet shock, maar naïviteit. Op zo’n moment heeft onderzoeksjournaliste Klein moeite haar materiaal in de populistische mal van activiste Klein te persen.

Haar beschrijvingen van spontane lokale verkiezingen in Irak en ontluikende sociaal-democratie in Allendes Chili ogen daarnaast wel erg rooskleurig. Even selectief is ze als ze de drijfveren van álle Friedmanianen reduceert tot die van piranha’s en piranha’s alleen. Voor gemengde motieven, angst voor het Rode Gevaar bijvoorbeeld, is geen ruimte. Net zo is elk verzet economisch verzet, zodat het soms lijkt alsof Klein het antiglobalisme met terugwerkende kracht in het hart van een soort verzetsgeschiedenis wil plaatsen.

Zoals No Logo wel Das Kapital voor een apolitieke generatie is genoemd, zo bedrijft Klein nu historisch-materialistische geschiedschrijving, in de marxistische trant die economie als alomvattende verklaring ziet. Ook zonder hapklare doctrine is dat uitdagend genoeg, want de uitkomst toont het neoliberalisme als een typisch 20ste-eeuwse ideologie – een utopie van ‘market bolsheviks’ waarvan een kleine elite profiteerde, maar dat voor de massa catastrofale gevolgen had. In de vroege 21ste eeuw stemt de erfenis niet vrolijk: rampkapitalisten aan het roer, failed states als hun geslaagde ondernemingen.