Mitridate onder bleek tl-licht

Voorstelling: Mitridate, re di Ponto van W.A. Mozart door Nationale Opera Brussel o.l.v. Mark Wigglesworth. Gezien: 16/10 Muntschouwburg Brussel. T/m 11/11. Inl.: www.demunt.be

Vanaf de voorgevel van de Brusselse Muntschouwburg hing dinsdag een breed, roodfluwelen gordijn tot twee meter boven het bordes. Het doek ging buiten al op voor de eerste zelf geconcipieerde operavoorstelling van de nieuwe intendant Peter de Caluwe, de Vlaming die tot voor kort de zangers uitzocht bij de Nederlandse Opera.

Het was een avond van Brusselse debuten: de toekomstige chef-dirigent Mark Wigglesworth dirigeerde zijn eerste opera in de Munt. En ook de wereldberoemde Canadese regisseur Robert Carsen, die bij de Vlaamse Opera een fameuze Puccini-cyclus maakte, werkt nu voor het eerst in Brussel.

Binnen ging het doek op voor Mitridate, re di Ponto, in 1992 bij de Nederlandse Opera geënsceneerd door Pierre Audi. Het is een hoogst ongemakkelijke en zelfs verbijsterende oorlogsopera van de veertienjarige Mozart naar de tragedie van Racine. Op het podium zien we een ruïne, een Romeinse bom heeft zojuist de betonnen vloeren doorboord van het hoofdkwartier van de Griekse koning Mitridate.

De verloren oorlog gaat gepaard met een totaal verval van normen en waarden. Mitridate wordt verraden door zijn zoons Sifare en Farnace die het beiden aanleggen met Aspasia, de jonge bruid van Mitridate. De broers staan elkaar naar het leven, Farnace heult ook met de Romeinen die hem als zetbaas op de troon willen zetten.

Uiteindelijk pleegt Mitridate zelfmoord, een ‘eervolle’ oplossing om te ontkomen aan al het zelf veroorzaakt onheil. De brallende koning die dacht Rome te kunnen verslaan, ziet het als een overwinning, terwijl de Romeinen klaar staan om iedereen te executeren.

De desolate voorstelling, goeddeels afgewerkt in naargeestig bleek tl-licht, is tijdloos – ondanks het eigentijdse uiterlijk is er geen sprake van actualisering. Carsen accentueert de handeling door de mannen eigen lijfwachten en legertjes te geven en hij zet de onderlinge confrontaties telkens maximaal op scherp.

De muzikale en vocale uitvoering onder leiding van de naar veel variatie en contrast strevende dirigent Wigglesworth is voortreffelijk. De zangers in de vier belangrijkste rollen werkten ook eerder bij de Nederlandse Opera en Bruce Ford vervult hier, vijftien jaar na Amsterdam, opnieuw de rauwe en complexe titelrol. De countertenor Bejun Mehta is fascinerend als Farnace, evoluerend van liederlijk tot braaf. Echt prachtig wordt gezongen door sopraan Myrtò Papatanasiu (Sifare, een travestierol) en haar vakgenoot Mary Dunleavy (Aspasia).