Met liefde dicht je de ergste gaten

Tomas Lieske: Dünya. Querido, 342 blz. € 18,95 De kans is aanzienlijk dat Tomas Lieske met Dünya (Querido, € 18,95) ‘opnieuw zal worden genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs’ durfde Janet Luis te voorspellen. Zie pagina 22 Nederland is slechts een bol morsige stopverf de beste boeken van de week ‘De kans is aanzienlijk dat Tomas Lieske met Dünya (Querido € 18,95) opnieuw zal worden genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs’, schreef Janet Luis. ‘Voor de roman Franklin kreeg Lieske in 2001 de Libris Literatuur Prijs, maar ik was er niet erg van onder de indruk. Door de pompeuze woordkeus en de afstandelijke manier van vertellen slaagde ik er niet in om door te dringen in de drijfveren van de norse titelheld. Als het erop aankomt is Dünya misschien wel net zo’n zwaartillende en weemoedige roman als Franklin, maar de toonzetting is een stuk fleuriger en spreektaliger. [...] Belangrijker dan de gebeurtenissen zijn de gevoelens die Lieske in de roman onder heeft weten te brengen, zo tersluiks mogelijk. Alles draait hier om droevige zaken: gemis, ontheemding, ballingschap en heimwee. Iedereen probeert er het beste van te maken. Met wat vriendschap en liefde worden de ergste gaten gedicht. Het aardigst aan deze roman is de grote omkering in de benadering van Nederland en Turkije. Nederland wordt hier voorgesteld als „het land dat geplakt zit als een bol morsige stopverf in een hoek tussen Duitsland en Frankrijk”, er wordt een taal gesproken die klinkt „alsof er altijd gescholden wordt”.’

Tomas Lieske: Dünya. Querido, 342 blz. € 18,95

De nieuwe roman van Tomas Lieske, Dünya, is een heus mannenboek, al is het dan genoemd naar een vrouw. Lieske zoekt het in zijn romans altijd ver weg, in Rusland, Spanje of Turkije. Ook beperkt hij zich niet tot zijn eigen kring of zijn eigen tijd. Met verve beschrijft hij de barre wereld van een nikkelmijn rond 1940. Hij verdiept zich in 17de-eeuwse wiskundigen. En hij geeft technische bijzonderheden over naaiateliers, locomotieven, fotografie en vervalsingstechnieken. Hij bezuinigt nooit op feitenmateriaal en interessante dwarsverbanden.

Voor de roman Franklin kreeg Lieske in 2001 de Libris Literatuur Prijs, maar ik was er niet erg van onder de indruk. Door de pompeuze woordkeus en de afstandelijke manier van vertellen slaagde ik er niet in om door te dringen in de drijfveren van de norse titelheld. Daardoor riep zijn uiteindelijke val van een plat dak, met rolstoel en al, geen enkel medeleven op. Als het erop aankomt is Dünya misschien wel net zo’n zwaartillende en weemoedige roman als Franklin, maar de toonzetting is een stuk fleuriger en spreektaliger. Een stevig gebouwd persoon wordt omschreven als ‘die dikke boterdoos’, een machine loopt ‘als een tiet’, hout wordt ‘opgefikt’, een meisje heeft een gat ‘in d’r harses’ en menigeen snapt er ‘geen fuck’ van. Op deze manier herinnert Lieske ons steeds aan de eenvoudige komaf van zijn twee Hollandse romanfiguren.

De twee vrienden gaan in 1914 samen op avontuur. In Londen melden ze zich aan bij de Royal Navy om te gaan vechten tegen keizer Wilhelm II. Als hun schip ontploft, vlak voor de kust van Turkije, worden ze gevangen genomen, maar na verloop van tijd worden ze weer vrijgelaten. Ze gaan rondtrekken. Op een dag stuiten ze op een menigte die een huis in brand wil steken. In een opwelling grist Simon een pakketje mee dat in de vlammen dreigt op te gaan. Het blijkt een baby van een paar maanden te bevatten. Ze noemen haar Julia. En ze besluiten dat zij nu de dochter van Simon is. Ze gaan met zijn drieën in een dorp wonen, waar Simon werk vindt in een machinefabriek waar een zeppelin wordt gebouwd. Op 7 mei 1937, een dag na de ramp met de Hindenburg, zal het Turkse luchtschip een spectaculaire proefvlucht maken.

Intussen heeft zich Dünya bij hen gevoegd, eerst als kok en huishoudster, later steeds meer als pleegmoeder van Julia en als minnares van Otto. Zij vindt het dorp saai en geestdodend, omdat er nooit iets gebeurt. ‘Stilte. Rust. Vrede. Om gek van te worden.’ Maar geleidelijk went ze aan het dorpsleven, al denkt ze nog vaak met smart terug aan Istanbul, haar geboortestad, en aan het opwindende leven dat ze daar leidde.

Zo’n soort roman dus, vol avonturen en verwikkelingen. Belangrijker dan de gebeurtenissen zijn de gevoelens die Lieske in de roman onder heeft weten te brengen, zo tersluiks mogelijk. Alles draait hier om droevige zaken: gemis, ontheemding, ballingschap en heimwee. Veel halve levens. Iedereen probeert er maar zo’n beetje het beste van te maken. Met wat vriendschap en liefde worden de ergste gaten gedicht.

Het aardigst aan deze roman is de grote omkering in de benadering van Nederland en Turkije. Nederland wordt hier voorgesteld als ‘het land dat geplakt zit als een bol morsige stopverf in een hoek tussen Duitsland en Frankrijk’, er wordt een taal gesproken die klinkt ‘alsof er altijd gescholden wordt’. De twee Hollanders, Simon en Otto, worden twintig jaar na hun aankomst in Turkije nog altijd gezien als vreemdelingen, als allochtonen, als ‘lompe Hollandse schollenkoppen’. Ze zijn slecht op de hoogte van allerlei historische feiten en hebben, anders dan de tweetalige Julia, nooit fatsoenlijk Turks leren spreken. Niet alleen hebben ze er weinig gevoel voor, ze vonden het ook nooit nodig om zich de taal eigen te maken. ‘Wij waren immers tijdelijk; we zagen te laat dat het tijdelijke zo lang zou duren en zo bestendig zou blijken.’ De verplichte inburgeringscursus moest nog ingevoerd worden.

Het ligt er wat dik bovenop, maar de bedoeling is duidelijk: de hedendaagse Hollander een spiegel voorhouden. De kans lijkt me groot dat Lieske met deze gevoelige avonturenroman volgend jaar opnieuw zal worden genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs.