Kortsluiting in de wereld

Zes auteurs schreven dit jaar een boek naar aanleiding van het werk van de 80-jarige Mulisch. Dat van A.F.Th. van der Heijden steekt boven alles uit.

A.F.Th. van der Heijden: Mim of De doorstoken globe. De Bezige Bij, 192 blz. € 14,90

Dat de bijdrage van A.F.Th. van der Heijden de beste zou zijn van de reeks hommages aan Harry Mulisch die deze zomer verschenen, lag in de lijn der verwachtingen. In de eerste plaats omdat Van der Heijden de enige van de zes uitverkorenen is die in homerische ambitie en (binnenlandse) reputatie met Mulisch kan wedijveren. In de tweede plaats omdat de eerste vijf delen niet meevielen.

Dat gold voor de pastiche van Abdelkader Benali, de prequel van De pupil van Doeschka Meijsing, de sequel op Twee vrouwen van Marcel Möring, het ironische commentaar van Elsbeth Etty op De ontdekking van de hemel, en Jessica Durlachers herschrijving van Mulisch’ verhaal ‘Wat gebeurde er met Sergeant Massuro’. Geen van de vijf wist boven zichzelf uit te stijgen, Meijsing bracht het er met haar krachtig geschreven De eerste jaren nog het beste vanaf.

De derde reden waarom de verwachtingen bij de hommage van Van der Heijden hoog waren, was omdat hij geen gelegenheidswerkje heeft geschreven, maar in plaats daarvan een deel van zijn romancyclus Homo duplex op de markt brengt – een boek dat goeddeels al geschreven was.

De vierde reden is de eenvoudigste, die wel eens ondersneeuwt in observaties over Van der Heijdens werktempo of zijn publicaties (te dik of juist een tussendoortje). In het idioom van de voetbalsupporter: de man kan wel een potje schrijven.

De verrassing is dan ook niet dat Mim of De doorstoken globe van Van der Heijden erg goed is, vergeleken met de andere Mulisch - novellen. De verrassing is dat Mim óók uitsteekt boven de andere tot nu toe verschenen delen van Homo duplex: De Movo tapes, Drijfzand koloniseren en Het schervengericht. En dat het zomaar zo zou kunnen zijn dat wanneer de hele cyclus is voltooid, Mim het hoogtepunt zal zijn geweest.

Want wat Van der Heijden schijnbaar achteloos publiceert is dan ook niet zomaar een stukje uit zijn romancyclus. Mim is de climax, het boek waarin Movo, de held van het verhaal ziet hoezeer zijn leven een herschepping van de Oedipusmythe is. Het is het verhaal van een man die ontdekt dat hij zijn vader heeft vermoord en met zijn moeder is getrouwd.

De setting waarin Van der Heijden Movo de waarheid over zijn afkomst laat ontdekken doet in niets aan Sofokles denken, maar is evengoed memorabel. Mim begint met de verovering van de nationale voetbaltitel door ‘Erdam’ op 25 april 1999 in een wedstrijd tegen ‘Adam’. Terwijl de huldiging van het winnende team ontaardt in een veldslag, belandt Movo bij zijn vrouw in hun kamer boven het café dat zij drijft. Zij zet een pornofilm voor hem aan. Een gewoonte die het stel heeft overgehouden aan haar langdurige weigering tot gemeenschap tijdens haar zwangerschap van de drieling die zij met Mim aanduiden, naar de Romeinse schrijfwijze van hun geboortejaar.

De film die Movo te zien krijgt, is echter niet zomaar een pornofilm. Het is een film waarin zijn vrouw acteert. Prachtig beschrijft Van der Heijden de wijze waarop zijn vrouw hem aanzet om zichzelf te bevredigen, waarbij de routine van de huwelijkse plichtplegingen naadloos overgaat in wraakzucht: ‘Je hebt jezelf zitten afritsen bij een paar shots van hoe je verwekt bent.’ Van dat laatste raakt ook Movo overtuigd nadat twee volgende televisieprogramma’s hem ontbrekende puzzelstukjes over zijn afkomst hebben aangereikt. Dat Movo dit alles op het tvscherm ziet is een voorafschaduwing van zijn eigen oedipale lot: aan het eind van de roman zal hij zich het zicht hebben benomen.

Zo zit Mim voor een fragment uit een cyclus opmerkelijk hecht in elkaar. Bovendien zijn vorm en inhoud in evenwicht. Van der Heijden heeft soms de neiging om van álles de mythologische dimensies breed uit te venten. Dan is het lang zoeken naar een beetje lucht tussen alle verbale krachtpatserij en dreigt de betekenis van wat hij vertelt uit beeld te verdwijnen.

Niets van dat alles in Mim. Van der Heijden beneemt je bij tijd en wijle de adem wanneer hij Movo’s Werdegang beschrijft, maar je hebt nooit het idee dat hij overdrijft: zowel het persoonlijke drama van zijn hoofdpersonen als de (voetbal)geweldorgie die de stad in zijn greep heeft, zijn tastbaar en dringen je poriën binnen – als de walm van oud frituurvet waarin bitterballen liggen te verbranden.

Mim is dus goed, heel goed. Maar heeft het boek ook nog iets met Mulisch te maken? In algemene zin zijn er genoeg overeenkomsten tussen de schrijvers Mulisch en Van der Heijden, met hun voorliefde voor de grote greep en het verlangen om wat zij beschrijven een mythologische ondertoon te geven. Bovendien zijn er overeenkomsten tussen het centrale motief van De ontdekking van de hemel en Homo duplex. In beide werken worden er van hogerhand ingrepen gedaan om in het aardse orde op zaken te stellen. Bij Mulisch moet Quinten Quist de Stenen Tafelen terugbezorgen in de hemel, in Homo duplex is Tibbolt Satink (alias Movo) uitverkoren om de Wereldstaking te leiden.

De band tussen Mim of de doorstoken globe en het werk van Mulisch zit in het beeld dat de ondertitel geeft. In een verhaal uit Mulisch’ De versierde mens wordt een breinaald door een globe gestoken door mensen die willen weten wat precies het andere eind van de aarde is om daarheen te vluchten. Iets vergelijkbaars doet een van de personages in Mim wanneer hij in Californië een rechtbankgetuigenis wil ontlopen. Hij neemt een tinnen zwaard van de muur in het kantoor waar hij op zijn oproep zit te wachten en steekt die door de wereldbol. ‘Ik dreef de punt bij de oranjebruine vlek die Californië was in de plastic aardmantel, met een snede evenwijdig aan het lichtende hemelsblauw van de stille oceaan. Uit bijgeloof (of fatalisme) heb ik later nooit uitgeprobeerd waar een lang en scherp voorwerp, bij Los Angeles in een wereldbol gestoken, tevoorschijn zou zijn gekomen als het strak rechtdoor zou zijn gegaan, maar een feit is dat de slap tinnen kling, op de lichtbron gestuit, niet alleen de lamp liet springen maar ook onmiddellijk verboog, een afwijkende weg koos en uit het kleine Nederland tevoorschijn kwam – bij de Randstad Holland, om precies te zijn.’

Juist uit de passage die Mim met Mulisch verbindt, worden de verschillen duidelijk. Waar bij Mulisch een breinaald kaarsrecht door de aarde gaat, wordt het bij Van der Heijden een rommeltje: de degen is scheef, is van een te zacht materiaal gemaakt, stuit onderweg op obstakels, kortom: het plan was misschien aardig, maar de uitvoering wordt in handicaps gesmoord. Het universum van Mulisch is raadselachtig en soms magisch, maar hoe langer je Van der Heijden leest met Mulisch in gedachten, hoe precies alles bij die laatste in elkaar zit. Achter de horizon is er een orde, menselijk of hemels, maar er is een orde. Quinten slaagt ook in zijn missie. Bij Van der Heijden stuit je steeds weer op onbedoelde gevolgen, op collateral damage, op wat er net scheef gaat. Of Movo ooit de wereldstaking zal leiden is nog maar de vraag, voorlopig heeft Van der Heijdens cyclus een open einde (iets wat bij Mulisch ondenkbaar is).

Veel meer dan plannen en verklaringen bezingt Van der Heijden de chaos waarin alles ontaardt, een chaos die moet schuren, stinken en bewegen. Als een veldslag tussen voetbalsupporters – of tussen echtelieden. Zo laat Van der Heijden in deze grootse roman toch iets essentieels over zijn collega zien, niet door zich bij hem aan te sluiten of te imiteren, maar door iets te geven wat werkelijk van hemzelf is.